Je bent niet ingelogd. Log in of registreer je

Soerah Al Baqarah 2 (De Koe).

Ga naar pagina : Vorige  1, 2

Vorige onderwerp Volgende onderwerp Go down  Bericht [Pagina 2 van 2]

26 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel25) op do sep 20, 2012 7:02 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 25: De bedevaart

197 ‘Al-Hadjdju ‘asj-hurum-ma’-loemaat. Faman-faraza fiehinnal-Hadjdja falaa rafasa wa laa fusoeqa wa laa djidaala fil-Hadjdj. Wa maa taf-‘aloe min gayriny-ya’-lam-hullaah. Wa tazawwadoe fa-‘inna gay-razzaadittaqwaa. Wattaqoeni yaaa-‘ulil-‘al-baab.

197 De maanden van de bedevaart zijn welbekend;(a) dus wie besluit de bedevaart daarin te volbrengen, zal er geen onbetamelijke taal zijn, noch beledigend, noch woordenwisselingen tijdens de bedevaart.(b) En wat voor goed jullie ook doen, Allāh weet het. En tref voorzieningen(c) voor julliezelf, waarbij het de beste voorziening is om aan jullie plicht te voldoen. En voldoe jullie plicht aan Mij, o mensen met verstand.

198 Laysa ‘alaykum djunnahun ‘an-tab-taghoe fazlam-mir-Rabbikum. Fa-‘izaaa ‘afaztum-min ‘Arafaa- tin-fazkurullaaha ‘indal-Masj-‘aril-Haraam. Wazkuroehu kamaa hadaakum, wa ‘in-kuntum-min-qablihie laminad-daaal-lien.

198 Het is voor jullie geen zonde te zoeken naar de weldaad van jullie Heer.(a) Dus wanneer jullie je voortspoeden vanuit ‘Arafāt,(b) gedenk (dan) Allāh dicht bij het Heilige Monument,(c) en gedenk Hem omdat Hij jullie geleid heeft, hoewel jullie daarvóór zeker tot de dwalenden behoorden.

199 Summa ‘afiezoe min haysu ‘afaazan-naasu was-taghfirullaah. ‘Innallaaha Ghafoerur-Rahiem.

199 Haast jullie dan voort vanwaar de mensen zich haasten, en vraag om de vergeving van Allāh. Waarlijk is Allāh Vergevensgezind, Barmhartig.(a)

200 Fa-‘izaa qa-zaytum-manaasika-kum faz-kurullaaha kazikrikum ‘aabaaa-‘akum ‘aw asjadda zikraa. Faminan-naasi many-yaqoelu Rabbanaaa ‘aatinaa fid-dunyaa wa maa lahoe fil-‘Aagirati min galaaq.

200 En wanneer jullie je devoties hebben volbracht, loof (dan) Allāh zoals jullie je vaderen loofden,(a) liever nog een oprechter loven. Maar er zijn sommige mensen die zeggen, Onze Heer, geef ons in de wereld. En voor hen is er geen aandeel in het Hiernamaals.

201 Wa minhum-many-yaqoelu Rabbanaaa ‘aatinaa fiddunyaa hasanatanw-wa fil-‘Aagirati hasana- tanw-wa qinaa ‘azaaban-Naar.

201 En onder hen is er een aantal dat zegt: Onze Heer, schenk ons goed in deze wereld en goed in het Hiernamaals, en spaar ons voor de straf van het Vuur.(a)

202 ‘Ulaaa-‘ika lahum nasiebum-mimmaa kasaboe: laahu Sarie-‘ul-hisaab.

202 Voor diegenen is er een deel vanwege wat zij hebben verdiend. En Allāh is snel met afrekenen.

203 Waz-kurullaaha fie ‘ayyaamim-ma’-doedaat. Famanta-‘adjdjala fie yawmayni falaaa-‘isma ‘alayh. wa man-ta-‘aggara falaaa ‘isma ‘alayhi limanittaqaa. Watta-qullaaha wa’-lamoe ‘annakum ‘ilayhi tuh-sjaroen.

203 En gedenkt Allāh tijdens de vastgestelde dagen.(a) En er kleeft geen zonde aan degene die zich na twee dagen weghaast, noch kleeft er zonde aan degene die achterblijft,(b) voor degene die aan zijn plicht voldoet. En voldoe jullie plicht aan Allāh, en weet, dat jullie tot Hem samengebracht zullen worden.

204 Wa minannaasi many-yu’-djibuka qawluhoe fil-hayaatid-dunyaa wa yusj-hiddullaaha ‘alaa maa fie qalbihie wa huwa ‘aladdul-gisaam.

204 En onder de mensen is degene wienswoorden over het leven in deze wereld jou plezieren, en hij roept Allāh aan als getuige voor wat er in zijn hart is, toch is hij de hevigste van de tegenstanders.(a)

205 Wa ‘izaa tawallaa sa-‘aa fil-‘ardi li-yufsida fiehaa wa yuh-likal-harsa wan-nasl. Wallaahu laa yuhibbul-fasaad.

205 En wanneer hij een gezaghebbende positie bekleedt, doet hij moeite onrust te stoken in het land, en akkergrond en oogsten te vernietigen; en Allāh houdt niet van onrust.

206 Wa ‘izaa qiela lahuttaqillaaha ‘agazat-hul-‘izzatu bil-‘ismi fahasbuhoe Djahannam; wa la-bi’-sal-mihaad!

206 En wanneer hem wordt gezegd, let goed op je plicht aan Allāh, brengt trost hem tot zonde – dus de hel is afdoende voor hem. En de rustplaats is zeker slecht.(a)

207 Wa minan-naasi many-yasjrie naf-sahub-teghaaa-‘a Marzaatillaah: wallaahu Ra-‘oefum-bil-‘ibaad.

207 En onder de mensen is degene die zich weggeeft om het behagen van Allāh te zoeken. En Allāh is Mededogend voor de dienaren.

208 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanud-guloe fis-Silmi kaaaffah; wa laa tattabi-‘oe gutuwaatisj-Sjaytaan. ‘Innahoe lakum ‘aduwwum-mubien.

208 O jullie die geloven, treed de absolute vrede binnena en volg niet in de voetsporen van de duivel. Waarlijk is hij jullie openlijke vijand.

209 Fa-‘in-zalaltum-mim-ba’-di maa djaaa-‘atkumul-Bayyinaatu fa’-lamoe ‘annallaaha ‘Aziezun- Hakiem.

209 Maar als jullie een misstap maken nadat er duidelijke bewijzen tot jullie zijn gekomen, weet dan dat Allāh Almachtig is Wijs.

210 Hal yanzuroena ‘illaaa ‘any-ya’-tiya-hummullaahu fie zulalim-minal-gamaami walmalaaa-‘ikatu wa quziyal-‘amr ? Wa ‘illallaahi turdja-‘ul-‘umoer.

210 Zij wachten op niets anders dan dat Allāh tot hen komt in de schaduwen van de wolken met engelen, en de zaak is (reeds) beslist. En tot Allāh worden (alle) zaken teruggebracht.(a)

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

197a. De bekende maanden zijn Sjawwāl, Dzoe-l-Qa‘dah en de eerste negen dagen van Dzoe-l-Hidjdjah. Het is tijdens deze dagen dat een mens in de staat van ihrām kan treden om een bedevaart te gaan doen.

197b. Er zijn drie dingen verboden tijdens de bedevaart, rafath, foesoeq en djidāl. Rafath betekent smerig, onbetamelijk, onbescheiden of obsceen taalgebruik (LL). Fasoeq betekent, volgens een uitspraak van de Profeet (s.a.w.), beledigend (Rz). Djidāl betekent twistend in een woordenwisseling of redetwistend of betwistend (LL). De bedevaart staat voor het laatste stadium in geestelijke ontwikeling en het wordt de bedevaartganger daarom bevolen geen woorden te gebruiken die voor iemand aanstootgevend kunnen zijn. De volmaakte liefde voor Allāh vereist volmaakte vrede met de mens; vandaar dat je er zorg voor moet dragen niemand te beledigen. In plaats daarvan wordt aanbevolen goed te doen met de woorden wat voor goed jullie ook doen, Allāh weet het.

197c. Met voorzieningen (zād) wordt proviand voor de reis naar Makkah bedoeld. Sommige mensen hadden de gewoonte om met onvoldoende middelen aan een bedevaart te beginnen, onder het voorwendsel dat zij op Allāh vertrouwden voor hun onderhoud. Maar de woorden hebben een diepere betekenis, en hiernaar wordt verwezen met de woorden de beste voorziening is om aan je plicht te voldoen, of het hoeden van jezelf voor het kwaad (taqwā). Dit geeft aan dat het voedsel voor de ziel (het voldoen aan je plicht), belangrijker is dan het voedsel voor het lichaam.

198a. Het zoeken naar de vrijgevigheid van de Heer (al-fadl) staat hier voor handelen (Rz). Het woord wordt in deze betekenis op verschillende plaatsen in de Heilige Qoer-ān gebruikt, zoals in 73:20. Wat er bedoeld wordt, is dat er geen kwaad in schuilt wanneer je brobeert je welstand te vergroten door tijdens de bedevaartperiode te handelen in Makkah. Vóór de komst van de Islām werden er tijdens de bedevaartperiode jaarmakrten gehouden met handel tot doel, waarvan de bekendste de ‘Oekāz. Madjinnah en Dzoe-l-Madjāz waren. De moeslims dachten dat het verzetten van enig werk voor werelds gewin in strijd was met het verheven geestelijk doel wat zij voor ogen hadden met de bedevaart (B. 25:150). Het werd verteld dat dit niet zo was en dat wereldse vooruitgang gecombineerd kon worden met geestelijke ontwikkeling. Er konden tijdens de bedevaart ook vergaderingen gehouden worden in Makkah, met als doel de moeslimwereld te inspireren over de oplossing van andere wereldproblemen.

198b. ‘Arafāt is de plaats waar de bedevaartgangers samenkomen op de negende Dzoe-l-Hidjdjah. Het ligt op ongeveer op negen mijl van Makkah. Hier bezingt een grote bijeemkomst uit alle landen en van aale volkeren de glorie van Allāh. In een gewaad, met een uitspraak, labbaika Allāh-oemma labbaika (hier ben ik, O Allāh, in Uw tegenwoordigheid). Hier spreekt de Imām, staande op Djabal Rahmat, de Berg van Genade, de gehele bijeenkomst toe. Het woord ‘Arafāt is afgeleid van ‘arafa, hij wist een ding, of maakte zichzelf bekend met een ding, en deze naam verwijst zonder twijfel naar het feit dat hier mensen werkelijk de doorluchtige Goddelijke aanwezigheid voelen. Ifādah betekend het komen of voorttrekken met zeer velen (LL).

198c. De Masj’ar al-harām wat letterlijk het Heilige Monument betekent, staat voor een plaats die bekend is als Moezdalafah, of het gebied die eraan grenst, waar de bedevaartgangers stoppen voor de nacht na hun terugkeer van ‘Arafāt op de avond van de negende Dzoe-l-Hidjdjah,

199a. De Qoeraisj en de Kanānah, die zichzelf als de Hams gedroegen om te wijzen op hun kracht, waren gewoon in Moezdalafah te blijven, omdat ze het beneden hun waardigheid vonden andere bedevaartgangers te vergezellen op hun tocht naar de vlakte van ‘Arafāt. Omdat alle verschillen door de Islām gelijk werden getrokken, werd hen gezegd dat ze zichzelf moesten beschouwen als gelijk aan anderen (B. 25:91).

200a. In de dagen van onwetendheid schepte men onderling op over de grootsheid van hun vaderen, nadat de bedevaart was volbracht en wanneer men zich verzamelde in ‘Oekāz en andere plaatsen. Dit laat zien wat de Qoer-ān vernitigde en wat hij opbouwde; wat hij wegmaaide en wat hij ervoor in de plaats stelde. Het was verboden op te scheppen over de grootsheid van hun vaderen en in plaats daarvan werd er bevolen de lof van Allāh te bezingen, omdat Hij hen veel grootser zou maken dan hun voorvaderen. En de onbelangrijke Arabische natie werd een grootse natie, de grootste natie ter wereld, want deze combineerde haar fysieke veroveringen met intellectuele en morele overwinningen.

201a. Dit is het gebed van de ware moeslim. Omdat hem geleerd is te bidden voor het goede zowel in dit leven als in het volgende, moet hij tot het uiterste gaan om het goede in dit leven als ook in het Hiernamaals te bereiken. De Islām biedt een tussenweg tussen materialisme en een monnikenleven.

203a. De aangewezen dagen zijn de drie dagen die volgen op de dag der Opoffering, en worden de dagen van Tasjriq genoemd.

203b. Gewoonlijk vertrekken bedevaartgangers in de middag van de laatste dag van de dagen van Tasjriq, maar het is hen toegestaan op de avond van de tweede dag te vertrekken.

204a. Er zijn verschillende veronderstellingen gedaan omtrent de persoon waar hier specifiek naar verwezen zou worden, maar de beste autoriteiten zijn het erover eens dat er geen bepaalde persoon bedoeld word (Rz). De context geeft ook aan dat de woorden verwijzen naar onruststokers die de Profeet (s.a.w.) verzekerden van hun sympathie voor hem, maar die in werkelijkheid wachtten op een kans om de moeslims een verlies toe te brengen.

206a. Mihād (rustplaats) betekent een wieg, en ook wat een mens voor zichzelf heeft gemaakt (LL). Deze beide beschrijvingen illustreren de aard van de hel. Het is iets wat de mens voor zichzelf heeft gemaakt. Wat betreft de geestelijke groei in het Hiernamaals, dient de hel voor hen die deze groei vertraagden door teveel in deze wereld op te gaan of door een verkeerd pad te volgen, hetzelfde doel als de wieg voor een kind. Elders wordt de hel een oemm of moeder genoemd (101:9).

208a. Hier wordt aan de moeslims verteld dat de Waarheid alleen gevestigd kan woren als ze zich er met hun hele hart voor inzetten. Het woord silm betekent zowel vrede als onderwerping (R). In feite is volledige onderwerping van Allāh gelijk aan absolute vrede.

210a. De komst van Allāh staat voor de uitvoering van Zijn gebod of voor de komst van de dreigende straf voor degenen die de Islām wilden vernietigen. De zaak is reeds beslist, wordt ons verteld, omdat in de vroegste openbaringen herhaaldelijk duidelijk is gemaakt dat alle tegenstand tegen de Islām tot niets zou worden teruggebracht. Elders wordt gezegd: "Zien zij iets anders tegemoet dan dat de engelen tot hen zullen komen of dat het bevel van jouw Heer ten uitvoer zal worden gebracht." En er wordt aan toegevoegd: "Dus het kwaad dat zij hebben verricht, heeft henzelf geraakt, en wat zij bespotten omvatte hen" (16:33, 34). Dezelfde zinsnede wordt ook gebruikt in 59:2, om de uitvoering van de Goddelijke straf te beschrijven. Er wordt hier gesproken over de joden, die uiteindelijk werden verbannen op grond van hun wangedrag:"…terwijl zij dachten dat hun vestingen hen zouden beschermen tegen Allāh. Maar Allāh kwam tot hen vanuit een plaats die zij niet verwachtten." In de schaduwen van de wolken schuilt een verwijzing naar het neerkomen van regen gedurende de strijd van Badr (8:11) wat een van de redenen was voor de vernietiging van de vijand.

27 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel26) op do sep 20, 2012 7:06 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 26: Beproeving en tegenspoed

211 Sal Banie-‘Is-raaa-‘iela kam ‘aataynaahum-min ‘Aayatim-bayyinah. Wa many-yubalddil ni’- matal- laahi mimba’-di maa djaaa-‘at-hu fa-‘innallaaha Sjaddiedul-‘iqaab.

211 Vraag de Kinderen Israël hoeveel duidelijke tekenen Wij hen gaven! En wie de gunst van Allāh verandert nadat deze tot hem is gekomen, dan is Allāh waarlijk Streng met vergelden (van kwaad).(a)

212 Zuyyina lillaziena kafarulhayyatud-dunyaa wa yasgaroena minallaziena ‘aamanoe Wallazienat-taqaw fawqahum Yawmal-Qiyaamah. Wallaahu yarzuqu many-yasjaaa-‘u bi-ghayri hisaab.

212 Het leven in deze wereld is schoonschijnend gemaakt voor degenen die niet geloven, en zij bespotten degenen die geloven. En degenen die aan hun plicht voldoen zullen boven hen staan op de Dag van de Opstanding. En Allāh geeft onbeperkt aan wie het Hem behaagt.(a)

213 Kaanan-naasu ‘ummatanw-waahidah; faba-‘asallaahun-nabiyyiena Mubasj-sjiriena wa Munzirien: wa ‘anzala ma-‘ahumul-Kitaaba bilhaqqi li-yaguma baynan-naasi fiemag-talafoe fieh. Wa magtalafa fiehi ‘illallaziena ‘oetoehu mim-ba’-di maa djaaa-‘at-humul-bayyi-naatu baghyam-baynahum. Fahadal- laa-hullaziena ‘aamanoe li-magtalafoe fiehi minal-Haqqi bi-‘idnih. Wallaahu yahdie many-yasjaaa-‘u ‘ilaa Siraatim-Mustaqiem.

213 De mensheid vormt één enkele natie.(a) Dus deed Allāh profeten opstaan als brengers van goed nieuws en als waarschuwers, en Hij openbaarde met hen het Boek met waarheid, opdat het een oordeel zou vellen tussen mensen over hetgeen waarin zij verschilden.(b) En niemand anders dan juist de mensen aan wie het was gegeven, verschilden erover (van mening) nadat er duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen, uit onderlinge jaloezie.(c) Dus heeft Allāh door Zijn wil degenen die geloven geleid naar de Waarheid waarover zij (van mening) verschilden.(d) En Allāh leidt op het rechte pad wie het Hem behaagt.

214 ‘Am hasibtum ‘an-tadgulul-Djannata wa lammaa ya’-tikum-masa-lullaziena galaw min-qablikum? Massathumul-ba’-saaa-‘u wazzarraaa-‘u wa zul-ziloe battaa yaqoelar-Rasoelu wallaziena ‘aamanoe ma-‘ahoe mataa nasrullaah? ‘Alaaa ‘inna nasrallaahi qarieb!

214 Of denken jullie dat jullie de Tuin zullen betreden,(a) terwijl jullie het gelijke nog niet is overkomen van wat degenen overkwam die vóór jullie zijn heengegaan. Wanhoop en droefenis overkwam en zij waren hevig geschokt, zodat de Boodschapper en degenen die met hem geloofden zeiden: Wanneer zal de hulp van Allāh komen? Nu is de hulp van Allāh waarlijk nabij!(b)

215 Yas-‘aloenaka maa zaa yunfiqoen. Qul maaa ‘anfaqtum-min gayrin-falil-waalidayni wal-‘aqrabiena wal-yataamaa wal-masaakieni wab-nissabiel. Wa maa taf-‘aloe min gayrin-fa-‘innallaaha bihie ‘Aliem.

215 Zij vragen jullie naar wat zij uit moeten geven. Zeg: Hoeveel rijkdom jullie ook uitgeven, het is voor de ouders en de naaste familie en de wezen en de behoeftigen en de reizigers. En welk goed jullie ook doen, Allāh is er waarlijk de Weter van.(a)

216 Kutiba ‘alaykumul-qitaalu wa huwa kurhul-lakum. Wa ‘asaaa ‘an-takrahoe sjay-‘anw-wa huwa gayrul-lakum. Wa ‘asaaa ‘an-tuhibboe sjay-‘anw-wa huwa sjarrul-lakum. Wallaahu ya’-lamu wa ‘an-toem laa ta’-lamoen.

216 Strijden wordt jullie bevolen, hoewel jullie er niet van houden; en het kan dat jullie ergens niet van houden terwijl het goed voor jullie is, en het kan dat jullie ergens van houden terwijl het slechts voor jullie is; en Allāh weet dit terwijl jullie het niet weten.(a)

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

211a. Met de gunst van Allāh wordt hier de Qoer-ān bedoeld en zijn verandering impliceert zijn verwerping. Vergelijk het kopen van dwaling in plaats van leiding in v.16 en elders. De duidelijke tekens die aan de Israëlieten werden gegeven bevatten ook de voorspellingen over de komst van de Profeet (s.a.w.), een gebeurtenis die herhaaldelijk aan hen bekend werd gemaakt door hun eigen profeten. Zo ook de duidelijke bewijzen aangaande de waarheid van de missie van de Profeet (s.a.w.) die zeer overtuigend waren vergeleken met de bewijzen die ze hadden omtrent de waarheid van hun eigen profeten.

212a. De Emigranten, die alles hadden achtergelaten en daardoor teruggevallen waren tot in de laagste van armoede, werden bespot door de rijke joden, wier handel van leningen tegen woekerprijzen hen de rijkdommen van andere mensen bracht. De slotwoorden geven niet alleen aan dat de morele waarde die een mens doet uitstijgen boven een ander niet berust op rijkdom, maar bevatten ook een voorspelling voor de tijd waarin degenen die vanwege hun armoede bespot werden zelfs over de voorzieningen van dit leven in overvloed konden beschikken.

213a. Het woord kanā verwijst niet noodzakelijkerwijs naar het verleden, maar wordt vaak in de Heilige Qoer-ān gebruikt om het idee van een algemene waarheid over te brengen, of om uitdrukking te geven aan de kern van een ding (R.). Kān al-insānoe kafoer-an (17:67) betekent niet de mens was ondankbaar maar de mens is immer ondankbaar of, de eigenschap van ondankbaarheid is vaak in hem aanwezig. Zo worden ook de Goddelijke eigenschappen vaak uitgedrukt door het gebruik van kāna, zoals in kān-Allāhoe ‘Aziz-an Hakim-an (48:7), wat niet Allāh was Machtig, Wijs betekent, maar dat Allāh immer Machtig en Wijs is. Of kān-Allāhoe Ghafoer-an Rahim-an (48:14) wat betekenis. De eenheid van de mensheid is een waarheid waarop de Qoer-ān de grootste nadruk legt. Er wordt soms gezegd dat eenieder is "geschapen uit een enkel wezen" (4:1); ook dat iedereen afstamt van dezelfde ouders (49:13); en ook dat iedereen, als het ware, in één huis verblijft, omdat iedereen dezelfde aarde tot rustplaats heeft en dezelfde hemel tot baldakijn (v. 22). Zo wordt het grondbeginsel van de eenheid van de mensheid in zeer duidelijke bewoordingen vastgelegd. Vandaar ook de conclusie dat er onder alle volken profeten zijn opgestaan, wat tot uitdrukking komt in de woorden die volgen.

213b. In deze woorden wordt een universele wet van Goddelijke Openbaring ontsloten. Omdat allen mensen een enkel volk zijn, heeft Allāh Zich ook aan allen geopenbaard. Deze wet van Goddelijke Openbaring is, zoals ons wordt verteld, tot uitdrukking gebracht door profeten, aan ieder waarvan een geopenbaard Boek gegeven is om hen de juiste weg te wijzen.

213c. De universele wet waaraan hier uitdrukking wordt gegeven is dat corruptie volgt op leiding. Terwijl de tijd verstreek, keerden dezelfde mensen zich tegen het Boek, aan wie het gegeven was opdat ze het zouden volgen. Dus, hoewel er een profeet was opgestaan onder elk volk, had elk volk het rechte pad verlaten en handelden zij tegen de aanwijzingen die ze gekregen hadden. Zo ontstonden er weer tegenstellingen, die de komst van een profeet noodzakelijk maakten. Vandaar dat het nodig was een profeet te doen opstaan die de juiste weg aan alle volken zou wijzen, en dat is wat in de volgende woorden wordt gezegd.

213d. De leiding gegeven door Allāh aan allen die geloven verwijst naar het doen opstaan van de Profeet Moehammad (s.a.w.), door middel van wie de moeslims naar de juiste weg geleid werden; naar de waarheid, gezien in het licht van de geschillen die tussen alle mensen waren ontstaan. Als er een profeet nodig was voor elk volk om haar eigen geschillen op te lossen, dan was er nu zeker een nodig om de geschillen tussen de verschillende volken op te lossen. De waarheid die aan verschillende volken was getoond door verschillenede profeten was namelijk weer onduidelijk geworden. Zo nam de Islām tussen de verschillende nationale religies van de wereld de positie in van een internationale religie.

214a. De Tuin staat voor triomf in dit leven en Paradijs in het volgende. De slotwoorden van het vers, de hulp aan Allāh is nabij, maken de verwijzing naar de triomf van de zaak van de Waarheid heel duidelijk. De Waarheid zal slechts triomferen als de verdedigers van de zaak van de Waarheid zich er opofferingen voor getroosten, en de zwaarste beproevingen ondergaan voor haar welslagen.

214b. Dit vers doordringt de mens van de noodzaak tot geloof en volharding onder de zwaarste beproevingen en is een aanwijzing voor de ongeëvenaarde lijdzaamheid en het geloof van de Profeet (s.a.w.) zelf. Het verwijst niet alleen naar de zware beproevingen en ontberingen die de moeslims al in Makkah hadden geleden en de ontberingen die ze tijdens hun ballingschap moesten ondergaan, maar in het bijzonder naar de kwellingen die nog voor hen in het verschiet lagen, en die zij duidelijk konden zien in de samenkomst van alle machten die gebruikt konden worden om hen te vernietigen. Wat betreft de beproevingen en ontberingen van de eerdere profeten, is het geval van Jezus Christus die aan het kruis "Eli, Eli, lama sabachthani" riep, de meest recente in de geschiedenis van profeten.

215a. Het fonds voor de verdediging van de moslimgemeenschap werd ook aangewend om de ouders van sommigen te helpen en familieleden van anderen. Ook vaderloze kinderen en arme mensen die geen middelen hadden om hun huizen te verlaten en die nog steeds onderdrukt werden door de ongelovigen in Makkah werden geholpen en zo ook de reiziger die geen veiligheid had. Vandaar dat de moeslims wordt gezegd dat wat zij aan oorlogen uitgeven, eigenlijk voor het welzijn was van hun eigen hulpeloze familieleden en broeders.

216a. Laat degenen die denken dat de moeslims vochten om te plunderen nog eens nadenken! Zij waren te zwak om de strijd tegen de machtige strijdkrachten die gebrand waren op hun vernietiging vol te houden, en ze hielden niet van oorlog. Slechts een zieke geest kon tot de conclusie komen dat de Profeet (s.a.w.) "nu besloten had zijn toevlucht te nemen tot het zwaard om tot stand te brengen wat met zijn predikingen niet gelukt was". Waar waren de legers waarmee de Profeet (s.a.w.) de trotse en strijdende Arabieren die niet naar zijn woord hadden geluisterd ging bekeren? Zijn eerste leger in Badr, toen de Qoeraisj van Makkah tegen Madinah optrokken met een duizental van hun meest ervaren krijgers, bestond uit 313 man, inclusief jongens van dertien jaar oud. Kon enig redelijk mens zeggen dat de Profeet (s.a.w.) nu de honderduizenden Arabische krijgers ging bekeren met zijn 313 ongewapende en onervaren volgelingen? En geven niet juist de woorden in dit vers de leugen aan in deze zeer irrationele conclusie? In v. 214 wordt een beeld geschetst van de rampspoed en de kwellingen waarvan de weinigen die zich tot de Islām hadden bekeerd zich nog moesten onderwerpen. Ze waren klein in aantal, arm, verbannen en overstuur en toch werd het onvermijdelijk dat zij zouden strijden uit zelfverdediging of anders zouden zij vernietigd worden. Het kwam door hun grote zwakheid en het enorme verschil in aantal dat zij niet van de strijd hielden. Ik kan eraan toevoegen dat er niet een voorbeeld is opgetekend in de hele geschiedenis van de Profeet (s.a.w.) waaruit de bekering van een ongelovige onder dwang van het zwaard blijkt. Er is geen enkel geval bekend van een expeditie ondernomen om een volk te bekeren. Als er ooit een volk gedwongen was te strijden uit verdediging van een groots doel, dan zou het geen edeler voorbeeld hebben gekregen dan dat van de Profeet (s.a.w.) die met zijn weinige trouwe volgelingen het gehele Arabië trotseerde, met aan alle kanten vijanden die het zwaard hadden opgenomen om hen te vernietigen. Als er ooit een goede reden was voor oorlog, dan was er nooit een betere geweest dan de reden van menselijkheid in het algemeen, het gezamenlijke doel van de christelijke kerk, de joodse synagoge en het bedehuis van de sabiërs, en van de moeslim moskee, dat de vroege moeslims zichzelf voorhielden (22:40). Lees naast dit vers wat in v. 190 en 22:39 wordt gezegd en de omstandigheden waaronder dit bevel gegeven werd zullen duidelijk worden. Het was een bevel te strijden tegen degenen die als eerste het zwaard opnamen en de moeslims uit hun huizen verjoegen. Het was een bevel te strijden om een eind te maken aan vervolging, om vrijheid van godsdienst te vestigen en om de huizen van verering van elke godsdienst te behoeden voor vernietiging.

28 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel27) op do sep 20, 2012 7:09 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 27: Verscheidene vragen

217 Yas-‘aloenaka ‘anisj-Sjahril-Haraami qitaalin-fieh. Qul qitaalun-fiehi kabier. Wa sad-dun ‘an-sabielillaahi wa kufrum-bihie wal-Masdjidil-Haraami wa ‘ig-raadju ‘ahlihie minhu ‘akbaru ‘indallaah. Walfitnatu ‘akbaru minal-qatl. Wa laa yazzaaloena yuqaatiloenakum hattaa yarud-doekum ‘an- Dienikum ‘inistataa-‘oe. Wa many-yartadid minkum ‘an-Dienihie fayamut wa huwa kaafirun-fa-‘ulaaa-‘ika habitat ‘a’-maaluhum fiddynyaa wal-‘Aagirah. Wa ‘ulaaa-‘ika ‘As-haabun-Naari hum fiehaa gaalidoen.

217 Zij stellen jou vragen over de strijd in de heilige maand. Zeg: Hierin strijden is een ernstig (vergrijp). En (mensen) verhinderen om Allāh’s weg te gaan, en Hem en de Heilige Moskee verloochenen, en haar mensen eruit verdrijven, zijn voor Allāh nog ernstiger; en vervolging is ernstiger dan slachting. En zij zullen niet ophouden tegen jullie te strijden tot zij jullie van je religie afbrengen, als ze dit kunnen.(a) En wie van jullie terugkeert van zijn religie, en dan sterft terwijl hij ongelovig is – dit zijn degenen wier werken voor niets zijn geweest in deze wereld en in het Hiernamaals. En zij zijn de gezellen van Het Vuur: daarin zullen zij verblijven.(b)

218 ‘Innallaziena ‘aamanoe wallaziena haadjaroe wa djaahadoe fie Sabielillaahi ‘ulaa-‘ika yardjoena Rahmatallaah : wallaahu Ghafoerur-Rahiem.

218 Degenen die geloofden en degenen die uit (hun huizen) vluchten en zich zeer inspanden langs Allāh’s weg – zij hopen waarlijk op de genade van Allāh. En Allāh is Vergevensgezind, Barmhartig.

219 Yas-‘aloenaka ‘anilgamri wal-maysir. ‘Qul fiehimaaa ‘ismun-kabierunw-wa manaafi-‘u linnaas: wa ‘ismuhumaaa ‘akbaru min-naf-‘ihimaa. Wa Yas-‘aloenaka maa zaa yunfiqoen. Qulil-‘afw. Kazaalika yubayyi-nullaahu lakumul-‘aayaati la-‘allakum tatafakkaroen-

219 Zij stellen jou vragen over bedwelmende middelen(a) en kanspelen.(b) Zeg: In beide schuilt grote zonde en (wat) voordeel voor de mensen, en hun zonde is groter dan hun voordeel. En zij vragen jou naar wat zij uit moeten geven. Zeg: Wat jullie je kunnen veroorloven. Zo maakt Allāh de boodschap aan jullie duidelijk, opdat jullie kunnen nadenken,

220 Fiddunyaa wal-‘Aagirah. Wa yas-‘aloenaka ‘anilyataamaa. Qul ‘islaahul-lahum gayr. Wa ‘in-tu- gaalitoehum fa-‘igwaanukum. Wallaahu ya’-lamul-mufsida minal-muslih. Wa law sjaaa-‘allaahu la-‘a’- natakum : ‘innallaaha ‘Aziezun Hakiem.

220 Over deze wereld en het Hiernamaals. En zij vragen jou over de wezen.(a) Zeg: Het is goed om hun (zaken) recht te zetten; en wanneer jullie je onder hen mengen, zijn zij jullie broeders. En Allāh ziet het verschil tussen degene die onrust stookt en degene die (zaken) rechtzet. En als het Allāh behaagde, had Hij de zaken moeilijk gemaakt voor jullie.(b) Waarlijk is Allāh Machtig, Wijs.

221 Wa laa tankihul-musjrikaati hattaa yu’-minn: wa la-‘amatum-mu’-minatun gayrum-mim-musjri- katinw-wa law ‘a’-yabat-kum. Wa laa tunkihul-musjrikiena hattaa yu’-minoe: wa la-‘abdum-mu’-minun-gayrum-mim-musjrikinw-wa law ‘a’-djabakum. ‘Ulaaa-‘ika yad-‘oena ‘ilan-Naar. Wallahu yad-‘oe ‘ilal-Djannati wal-magh-firati bi-‘idnih, wa yu’-bayyinu ‘aayaati-hie linnaasi la-‘allahum yatazakkaroen.

221 En trouw geen afgodsdienaressen tot zij geloven; en een gelovige dienstmeid is zeker beter dan een afgodsdienares zelfs wanneer zij jullie bevalt. Geef ook geen (gelovige vrouwen) ten huwelijk aan afgodsdienaren tot zij geloven, en een gelovige slaaf is zeker beter dan een afgodsdienaar, zelfs wanneer hij jullie bevalt.(a) Deze nodigen uit tot het Vuur en Allāh nodigt uit tot de Tuin en vergeving door Zijn wil,b en Hij maakt Zijn boodschap duidelijk aan de mensen, opdat zij indachtig kunnen zijn.

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

217a. De openingswoorden van dit vers verbieden het strijden in de heilige maanden (de redenen hiervoor zijn in v. 189 gegeven), behalve bij wijze van vergeldingsmaatregel (zie v. 194). Maar op hetzelfde moment wordt de ongelovigen verteld dat de slechte dingen die zij de moeslims aandoen, zonder ooit acht te slaat op de heilige maanden of het heilige gebied, veel erger zijn dan slachting. Dan wordt ons verteld dat de ongelovigen het zwaard opnamen om de moeslims te dwingen terug te keren tot ongeloof, en dat zij vastbesloten waren de oorlog voort te zetten tot ze dit doel bereikt hadden. Let op de woorden zij zullen niet ophouden tegen jullie te strijden tot zij jullie van je religie afbrengen, als ze dit kunnen, wat meteen de onwaarheid aantoont van de bewering dat de moeslims een oorlog begonnen om de ongelovigen met geweld te bekeren.

217b. De personen waarover in dit stuk gesproken wordt zijn de afvalligen. Er bestaat een verkeerd idee onder niet-moeslims, en ook onder vele moeslims, dat de Heilige Qoer-ān vereist dat degenen die de Islām afvallen ter dood moeten worden veroordeeld. Dit is niet waar. Een christelijke schrijver is zover gegaan het woord fa-jamoet verkeerd te interpreteren als hij zal ter dood gesteld worden, terwijl zelfs een beginneling weet dat de betekenis van deze woorden dan sterft hij is. Wat hier beweerd wordt is dat de tegenstanders van de Islām zich tot het uiterste inspanden om de moeslims door middel van wrede vervolgingen af te brengen van hun geloof. Een moeslim zou, als hij werkelijk terugkeerde naar ongeloof, en verliezer zijn in zowel dit leven als in het volgend, omdat het verlaten van de Islām hem niet alleen zou beroven van de geestelijke voordelen die hij kon verkrijgen door een moeslim te blijven, maar ook van de materiėle voordelen die hem zouden toekomen door de uiteindelijke overwinning van de Islām. Noch hier noch elders in de Heilige Qoer-ān is er sprake van een boete of enige andere straf aan de afvalligen.

De enige overlevering die melding maakt van ter dood veroordeelde afvalligen, is die aangaande de groep van ‘Oekl die de Islām beoefende maar hier van afviel. Deze groep wendde voor dat het klimaat in Madinah ongezond was en hun werd gezegd naar de plaats te gaan waar de kuddes kamelen van de staat graasden. Na aankomst vermoordden zij de herders en dreven de kuddes met zich mee. De feiten van deze gebeurtenis geven duidelijk aan dat doodstraf in dit geval niet werd toegepast voor de verandering in geloof, maar op basis van de misdaden moord en roverij. Deze gebeurtenis wordt over het algemeen genoemd door de commentatoren bij 5:33, dat spreekt over de straf van benderovers. Er is geen ander geval dat aangeeft dat er ooit de doodstraf is toegepast voor het afvallen van de Islām.

Er kan echter worden toegevoerd dat de moeslims na de eerste achtien maanden van hun verblijf in Madinah in een voortdurende staat van oorlog waren met de Qoeraisj en de Arabische stammen. Afvalligheid betekende onder deze omstandigheden dat men de zaak van de moeslims verloochende en hun vijanden vergezelde. Zelfs als de doodstraf zou zijn voorgeschreven voor afvaligen, dan zou dit zijn op grond van het feit dat zij waren overgelopen naar de vijand, en niet op grond van hun geloofsverandering. In het geval van geloof, geeft de Qoer-ān iedereen de volledige vrijheid om iedere religie aan te nemen die hij wil: "Zeg, de Waarheid komt van jullie Heer; dus laat degene die dat wil, geloven en laat degene die dat wil, niet geloven" (18:29).

219a. "Chamr betekent wijn of druivenwijn … Het kent zijn normale toepassing in bedwelmend sap uit iets geperst (Q, T) of enig bedwelmend ding dat de intelligentie versluiert of ontoegankelijk maakt (lett., bedekt), zoals sommigen zeggen … en de Madinah geen chamr of druiven waren" (LL). Zo wordt duidelijk dat het woord chamr alle bedwelmende stoffen omvat, en daarom ga ik een nieuwe richting in door het te vertalen met bedwelmende middelen, en niet met wijn of sterke dranken. Het verbod op bedwelmende middelen in verband met het noemen van oorlog, toont aan dat de Islām werkelijke moed wilde oproepen in zijn volgelingen en niet hield van de roekeloze durf die een man vertoont onder invloed van sterke dranken en die zo vaak tot slachtpartijen leidde in oorlogen. Het verbod waarover hier wordt gesproken met betrekking op zowel sterke drank als kansspelen wordt verduidelijkt in 5:90: "O jullie die geloven. Bedwelmende middelen en kansspelen … zijn slechts een onreinheid, het werk van de duivel; mijd het daarom zodat jullie succesvol kunnen zijn.

De verandering die deze eenvoudige woorden teweeg brachten in Arabië zal altijd een raadsel blijven voor de sociale hervormer. De constante onderlinge strijd tussen Arabische stammen had het drinken tot een tweede natuur gemaakt voor de Arabieren, en wijn was een van de zeer weinige dingen die een thema kon leveren aan de geest van een Arabische dichter. Bedwelmende dranken waren het hoofdbestanddeel van hun feesten, en de gewoonte om te drinken werd niet gezien als een kwaad, noch was er ooit een beweging tot matigheid onder hen geweest, daar de joden en de christenen zelf verslaafd waren aan dit kwaad. Menselijke ervaring met betrekking tot de drinkgewoonte toont aan dat het van alle kwaden de moeilijkst uitroeibare is. Toch was maar één woord van de Heilige Qoer-ān voldoende om alle sporen ervan onder een heel volk uit te wissen en daarna van een heel land, toen dit overging tot de Islām. Er bestaat geen ander voorbeeld in de geschiedenis van een hervorming van dergelijke omvang en grootheid, die zo makkelijk en toch zo grondig teweeg werd gebracht. Er kan hier ook aan worden toegevoegd dat de opmerking van Sale dat "het gematigde gebruik van wijn is toegestaan" en dat alleen overmatig drankgebruik verboden is, volgens sommigen, absoluut zonder grond is. De metgezellen van de Profeet (s.a.w.) gebruikten nooit een druppel wijn nadat het verbod bekend was gemaakt, en het is opgetekend dat de Profeet (s.a.w.) zou hebben gezegd: "Een kleine hoeveelheid van alles waarvan een grote hoeveelheid bedwelmend is, is verboden"(AD. 25:5). Noch zegt Kf wat Sale aan hem toeschrijft, want de woorden die aanleiding geven tot Sale’s misvatting gaan niet over wijn, maar over een ander preparaat, waarover een meningsverschil bestaat onder de juristen.

219b. Het oorspronkelijke woord is maisir, afgeleid van jasara, wat hij verdeelde iets in delen of porties betekent. Maisir was een kansspel onder de Arabieren en in de wettelijke taal van de Islām omvat het alle kansspelen. Sommigen leiden het af van joesr, wat gemak betekent vanwege het gemak waarmee hierdoor rijkdom verkregen kan worden. In 5:91 worden zowel wijn als gokken uitgeroepen tot veroorzakers van "vijandigheid en haat onder jullie". Een gemeenschap waarvan de leden doordrenkt zijn met gevoelens van haat en vijandigheid tegen elkaar, zou nooit kunnen gedijen.

220a. Als gevolg van de strijd was het onvermijdelijk dat veel kinderen als wees achtergebleven, dus wordt er hier een bevel met betrekking tot de zorg voor wezen toegevoegd. Maar er kan ook aan worden toegevoegd dat reeds de vroegste oprnbaringen van de Heilige Qoer-ān altijd in de meest vriendelijke bewoordingen spreken over de wezen, de behoeftigen en de slaaf. Extra nadruk wordt er gelegd op het helpen en voeden van hen. Zie 90:11–16 en andere plaatsen.

220b. Het woord dat hier gebruikt wordt is toechālitoe-hoem wat een dubbele betekenis heeft: (1) Meng je onder hen of sluit je bij hen aan, (2) Ga samen met hen in zaken, d.w.z. wordt hun compagnon. Wezen moet dus niet als een aparte groep worden gezien en zouden niet behandeld moeten worden als levend van de liefdadigheid van anderen, wat een minderwaardigheidscomplex bij hen zou aankweken. Zij moeten als broeders worden behandeld, zoals hier zeer duidelijk staat. Verder wordt de vorming van een deelgenootschap met een wees hier uitdrukkelijk toegestaan, omdat er in die tijd strikte geboden werden gegeven met betrekking tot het veiligstellen van het bezit van wezen. Sommige mensen dachten dat het een zonde was om hier iets mee van doen te hebben (Rz). De slotwoorden van het vers geven aan dat het doel van het toestaan van een deelgenootschap met wezen eenvoudigweg is om de zaken te vergemakkelijken. Als een persoon uit is op kwaad, kan hij Allāh’s straf niet ontlopen.

221a. De vragen die in dit deel behandeld worden ontstonden vanwege de oorlog. Het voorgaande vers gaat over de wezen, wier aantal zonder twijfel sterk vergroot zou worden door de oorlogen. Dit vers gaat over huwelijken met afgodsdienaren. De oorlog met de afgodsdienaren had nieuwe omstandigheden in het leven geroepen. De afgodsdienaren vormden nu niet slechts een volk dat verschillende religieuze denkbeelden eropna hield, maar waren ook vijanden gebrand op de vernietiging van de moeslims. Huwelijken tussen degenen die oorlog voerden tegen de moeslims en de moeslims zelf, zouden tot serieuze problemen hebben geleid. Een verwijzing naar 60:10 laat zien dat zelfs al bestaande huwelijksbanden met deze mensen beëndigd moesten worden vanwege de oorlog. Vandaar het verbod op zulke huwelijken. Het onderwerp van huwelijken tussen moeslims en niet-moelims in het algemeen wordt ten volle behandeld in 5:5b.

221b. Deze woorden verwijzen niet alleen naar de religieuze overtuigingen van beide partijen, de afgodendienaar en de gelovige in de Eenheid van Allāh, maar ook naar de constante strijd die in zo’n huishouden zou heersen. De kijk op het leven van de moeslim en de idolaat zijn tegengestelde polen en de harmonie en de wederzijdse liefde tussen echtgenoot en echtgenote die het huwelijk ten doel heeft, kan nooit bereikt worden. Bovendien zou een dergelijk verbond de vernietiging betekenen van het nageslacht dat in een dergelijke atmosfeer zou moeten opgroeien.



29 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel28) op do sep 20, 2012 7:14 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 28: Echtscheiding

222 Wa yas-‘aloenaka ‘anilmahiez. Qul huwa ‘azan-fa’-tazilun-nisaaa-‘a fil-mahiezi wa laa taqraboe-hunna hattaa yat-hurn. Fa-‘izaa ta-tahharna fa’-toe-hunna min hay-su ‘amara-kumul-laah. ‘Innallaaha yuhibbut-Tawwaa-biena wa yuhibbul-Muta-tahhirien.

222 En zij stellen jou vragen over de menstruatie.(a) Zeg: Het is schadelijk;(b) dus onthoud jullie van vrouwen tijdens de menstruale uitscheiding en nader ze niet tot ze schoon zijn. Maar wanneer zij zich verschoond hebben, ga hen dan binnen zoals Allāh jullie bevolen heeft. Waarlijk houdt Allāh van degenen die zich vaak (tot Hem) keren, en Hij houdt van degenen die zichzelf zuiveren.

223 Nisaaa-‘ukum harsul-lakum: fa-toe harsakum ‘annaa sji-tum; wa qaddimoe li-‘anfusikum; watta- qul-laaha wa’- lamoe ‘annakum-mulaaqoeh: wa basjsjiril–Mu’minien.

223 Jullie echtgenotes zijn een akker voor jullie, dus ga jullie akker binnen wanneer jullie willen,a en stuur van te voren (goed) voor julliezelf. En voldoe jullie plicht aan Allāh en weet dat jullie Hem zullen ontmoeten. En geef goed nieuws aan de gelovigen.

224 Wa laa tadj-‘alullaha ‘urzatal-li-‘ay-maanikum ‘antabarroe wa-tattagoe wa tuslihoe bay-nan-naas; wallaahu Samie-‘un ‘Aliem.

224 En maak door jullie eden Allāh niet tot een belemmering om goed te doen en aan je plicht te voldoen en vrede te stichten onder de mensen.(a) En Allāh is Horend, Wetend.

225 Laa yu-‘aagizu kumullaahu bil-lagwi fie ‘ay-maanikum wa laakiny-yu-‘aagizukum-bimaa kasabat quloebukum; wallaahu Ghafoerun Haliem.

225 Allāh zal jullie niet tot verantwoording roepen voor wat ijdel is in jullie eden, maar Hij zal jullie tot verantwoording roepen voor wat jullie harten hebben verdiend. En Allāh is Vergevensgezind, Verdraagzaam.(a)

226 Lillaziena yu’-loena minnisaaa-‘ihim tarabbusu ‘arba-‘ati ‘asj-hur ! fa-‘in-faa-‘oe fa-‘innallaaha Ghafoerur-Rahiem.

226 Degenen die zweren dat zij hun echtgenotes niet binnen zullen gaan,(a) moeten vier maanden wachten; wanneer zij dan teruggaan, is Allāh waarlijk Vergevensgezind, Barmhartig.(b)

227 Wa ‘in ‘azamut-talaaqa fa-‘innallaaha Samie-‘un ‘Aliem.

227 En wanneer zij besluiten tot een echtscheiding,(a) dan is Allāh waarlijk Horend, Wetend.

228 Wal-mutallaqaatu yatarabbasna bi-‘anfusi-hinna salaasata quroe’. Wa laa yahilu lahunna ‘any-yaktumna maa galaqallaahu fie ‘ar-haamihinna ‘in-kunna yu’-minna billaahi wal-Yawmil–‘Aagir. Wa bu-‘uoelatuhunna ‘ahaqqu bi-raddihinna fie zaalika ‘in aradoe ‘islaahaa. Wa lahunna mislullazie ‘alayhinna bil-ma’-roef: wa lir- ridjaali ‘alayhinna daradjah. Wallaahu ‘Aziezun Hakiem.

228 En de gescheiden vrouwen moeten zichzelf drie menstruatieperioden wachten houden.(a) En het is niet rechtmatig voor hen om, als zij geloven in Allāh en de Laatste Dag, te verbergen, wat Allāh in hun baarmoeders geschapen heeft. En hun echtgenoten hebben meer recht om hen in de tussentijd terug te nemen, als zij een verzoening wensen.(b) En vrouwen hebben, op rechtvaardige wijze, gelijke rechten als (de rechten) die er tegenover hen bestaan,(c) en mannen staan een trede boven hen.d En Allāh is Machtig, Wijs.

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

222a. Net zoals de oorlog vele kinderen tot wezen maakte, maakte hij vele vrouwen weduwe, maar aangezien vraagstukken omtrent het weduwschap ietwat analoog zijn aan die van echtscheiding, worden de twee vraagstukken in deze paragraaf en de twee volgende gelijktijdig behandeld. In feite maakten oorlogsomstandigheden in bepaalde gevallen echtscheiding noodzakelijk, waarvoor verwezen wordt naar 60:10. Het onderwerp van de maandelijkse ongesteldheid van vrouwen komt als een inleiding op het vraagstuk van echtscheiding, zie daarvoor 65:1. Zoals het antwoord laat zien houdt het vraagstuk verband met de omgang met vrouwen gedurende de maandelijkse ongesteldheid.

222b. Adz-an beduidt een licht vergrijp, lichter dan wat darar wordt genoemd (LL), of alles wat lichte schade veroorzaakt (LL). Het is echter niet de menstruale uitscheiding die hier schadelijk wordt genoemd, maar het hebben van seksuele relaties terwijl de vrouw in die toestand verkeert. De joodse wet bevat een soortgelijk verbod in Lev. 18:19 en 20:18, hoewel het joodse gebruik het noodzakelijk achtte dat de afzondering tussen echtgenoot en echtgenote volledig zou zijn. In de Islām is het beperkt tot het afzien van seksuele gemeenschap.

223a. Annā betekent ofwel matā, d.w.z. wanneer, of kaifa, d.w.z. hoe (AH). Waar het voorgaande vers bepaalde relaties verbiedt als de vrouw haar menstruatie heeft, stelt dit vers, met dit gebod in gedachten, dat een man zijn echtgenote binnen mag gaan wanneer en zoals hij wil.

De Qoer-ān bevat aanwijzingen voor zowel het lichamelijke als wel het morele en geestelijke welzijn van de mens en hij behandelt de meest delicate vragen in een taal onbenaderd in haar puurheid door enige andere wet die over dezelfde vragen gaat. Veel van de zinsneden over de delicate relaties tussen de seksen werden door de Heilige Qoer-ān zelf geïntroduceerd, en zijn lataratuur is er een die de oprechte lezer niet doet huiveren, anders dan vele beschrijvingen die zijn opgenomen in de Bijbel. De vergelijking van de vrouw met de akker dient eenvoudig om aan te geven dat zij het is die de kinderen grootbrengt en dat zij het is door middel van wie het karakter van de man wordt gevormd. De vergelijking geeft aan dat het echte doel van echtelijke relaties niet alleen bestaat uit het bevredigen van vleselijke lusten.

224a. Dit vers introduceert nog een inleiding op het onderwerp echtscheiding. Ilā’ was een manier om een echtegenote tijdelijk opzij te zetten (zie hiervoor 226a), en trad in werking door een eed af te leggen in Allāh’s naam om zijn echtgenote niet binnen te gaan. Het resultaat hiervan was dat de echtgenoot zichzelf vrij waande van alle huwelijkse plichten. De eerste stap op weg naar een hervorming van de relaties tussen echtgenoot en echtgenote was dat deze praktijk werd afgeschaft. Er wordt hiernaar verwezen wanneer het afleggen van geloften tegen het goeddoen aan anderen, verboden wordt. De vervulling van de huwelijkse plichten wordt vervolgens omschreven als het doen van goed, het voldoen aan plicht en het stichten van vrede tussen de mensen. Maar het onderwerp wordt gegeneraliseerd en het afleggen van alle geloften die iemand verbieden goed te doen of aan zijn plicht te voldoen, zijn verboden.

225a. Met ijdele eden worden onbedoelde of ondoordachte eden bedoeld die tijdens gewone gesprekken worden gemaakt. Met wat de harten hebben verdiend wordt een opzettelijk afgelegde eed bedoeld.

226a. Ilā’ betekent een eed dat men zijn echtgenote niet binnen zal gaan. In de dagen der ontwetendheid legden Arabieren vaak zulke eden af, en daar de periode van onzekerheid niet gelimiteerd was, was de echtgenote soms gedwongen haar hele leven in lijfeigenschap door te brengen, zonder de positie van een echtgenote te hebben of die van een gescheiden vrouw met de vrijheid opnieuw te trouwen. De Qoer-ān bepaalt dat als de echtgenoot niet binnen vier maanden de echtelijke relaties hervat, de echtgenote gescheiden zal zijn. Gevallen waarbij echtgenoten hun echtgenotes verlaten zonder echtelijke relaties met hen te hebben en zonder van hen te scheiden, zijn gelijk aan ilā’ en moeten praktisch behandeld worden alsof zij uitmonden in ilā’. Op deze wijze kan de echtgenote na vier maanden haar vrijheid krijgen als ze een scheiding zou willen.

226b. Met teruggaan wordt het herstellen van de huwelijkse relaties bedoeld.

227a. Talāq is een onbepaald zelfstandig naamwoord van talaqat, en het wordt gezegd van een vrouw. Het betekent dat zij werd vrijgelaten om haar eigen weg te gaan of gescheiden te worden van haar echtgenoot en duidt op de ontbinding van de huwelijksband (LL). Het onderwerp echtscheiding, dat hier wordt geïntroduceerd, wordt in deze en de volgende twee paragrafen behandeld en ook later in het 4e, 33e en 65e hoofdstuk.

Echtscheiding is een van de instellingen van de Islām waarover veel misverstand bestaat. Zozeer zelfs dat de islamitische wet, zoals zij wordt uitgevoerd door de gerechthoven, niet geheel vrij is van deze verkeerde opvattingen. De belangrijkkste kenmerken van de islamitische echtscheidingen zoals die in de Heilige Qoer-ān behandeld wordt, worden in vv. 228–233 en 236 besproken; de procedure is vastgelegd in 4:35, en verdere vragen worden behandeld in 33:49 en 65:1–7. De islamitische wet kent veel voordelen in vergelijking met zowel de joodse als de christelijke wetten, zoals die zijn geformuleerd in Deut. en Matt. De belangrijkste verbetering is dat de echtgenote volgens de islamitische wet een echtscheiding kan eisen, terwijl Mozes noch Christus dat recht aan de vrouw verleende. Het is echter betreurenswaardig dat het juist dit kenmerk is dat zelfs nu in sommige moeslimlanden niet wordt erkend. Een ander kenmerk van de islamitische echtscheidingswet is dat ze rekbaar is en geen strikte beperkingen oplegt aan de oorzaken voor echtscheiding. Feitelijk is het zo dat de beschaafde naties van Europa en Amerika, die eenzelfde godsdienst aanhangen, die op hetzelfde ontwikkelingsniveau staan en die een affiniteit van gevoelens hebben omtrent de meeste sociale en morele vraagstukken, het niet eens kunnen worden over de oorzaken die leiden tot echtscheiding. Hoe zou dan een universele godsdienst als de Islām, die bedoeld was voor alle tijden en alle landen, voor mensen op het laagste niveau van ontwikkeling als ook voor hen aan de top, deze oorzaken kunnen beperken? Is het niet zo dat deze zullen verschillen van omstandigheid tot omstandigheid en van gemeenschap tot gemeenschap?

Er moet worden toegevoegd dat, hoewel echtscheiding door de Islām wordt toegestaan als er voldoende reden voor bestaat, het recht alleen onder uitzondelijke omstandigheden mag worden uitgevoerd. De Qoer-ān zelf keurt het goed dat de Profeet (s.a.w.) erop aandrong dat Zaid niet scheidde van zijn echtgenote, ondanks een onenigheid die lang genoeg geduurd had (33:37). De gedenkwaardige woorden van de Profeet (s.a.w.), van alle toegestane dingen wordt scheiding het meest verafschuwd door Allāh (AD. 13:3), zullen altijd werken als een sterke beteugeling van welke makkelijke interpretatie van de woorden van de Heilige Qoer-ān dan ook.

228a. De wachtperiode of ‘iddat vormt de eerste voorwaarde in de islamitische echtscheidingswet. Maar in gevallen waar consummatie van het huwelijk niet heeft plaatgevonden, is geen wachtperiode noodzakelijk; zie 33:49.

228b. Deze woorden verlenen aan beide partijen het duidelijke recht om binnen de wachtperiode een verzoening tot stand te brengen en de echtelijke banden te herstellen. Hiervoor is geen speciale procedure nodig, maar zowel de scheiding als de verzoening moeten in het bijzijn van getuigen geschieden (IM. 10:5). Als de ‘iddat echter voorbij is en er is geen verzoening bewerkstelligd, dan kan de relatie tussen echtgenoot en echtgenote hersteld worden door te hertrouwen, welk recht aan beide partijen wordt verleend in v. 232.

Zoals duidelijk wordt gezegd in de woorden die volgen, is de wachtperiode in werkelijkheid een periode van tijdelijke scheiding, gedurende welke echtelijke banden hersteld kunnen worden. Deze periode van tijdelijke scheiding dient als een controle op de echtscheiding. Als er enige liefde schuilt in de verbintenis, dan zouden deze gevoelens zichzelf tijdens de periode van tijdelijke scheiding moeten doen gelden. Een verzoening zou zo tot stand worden gebracht en de geschillen zouden in vergetelheid geraken. Dit is de beste methode om te beschermen tegen het misbruik van de scheiding, omdat op deze manier alleen die verbintenissen door echtscheiding worden beëindigd die het werkelijk verdienen beëindigd te worden, beroofd als zij zijn van de kleinate vonk van liefde. Een echtelijke verbintenis zonder liefde is als een lichaam zonder ziel, en hoe eerder deze beëindigd wordt hoe beter.

228c. De rechten die een vrouw heeft tegenover haar echtgenoot, worden hier gelijk verklaard aan de rechten die echtgenoten hebben tegenover hun echtgenotes. De verklaring moet, zonder twijfel, een schok hebben veroorzaakt in een gemeenschap die nooit enige rechten voor de vrouw erkende. De verandering in dit opzicht was werkelijk een revolutionaire, want de Arabieren hadden vrouwen tot dan toe enkel als bezittingen gezien. De vrouw kreeg nu een positie die in alle opzichten gelijk was aan die van de man, want er werd verklaard dat hen dezelfde rechten werden verleend als de rechten die tegen hen werden gebruikt. Deze verklaring veroorzaakte niet alleen in Arabië een revolutie, maar in de hele wereld, wantde gelijkheid van de rechten van de vrouw aan die van de man was nooit eerder door enig volk of enige hervormer erkend. De vrouw kon niet langer afgedankt op wens van haar "heer", maar ze kon ofwel gelijkheid eisen als echtgenote ofwel een echtscheiding aanvragen.

228d. Het is noet zo dat destelling "mannen staan een trede boven hen" de in de hier voorgaande passage gevestigde rechten nietig verklaart. De woorden zijn eenvoudig opgenomen om aan te geven dat de hoogste autoriteit om het huishouden te besturen, ofwel aan de echtgenoot ofwel aan de echtgenote moet worden gegeven. Deze autoriteit is aan de echtgenoot gegeven op grond van redenen die in 4:34 worden gegeven; zie 4:34a.

30 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel29) op do sep 20, 2012 7:18 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 29: Echtscheiding Deel 2

229 ‘At-talaaqu marrataan: fa-‘imsaakum-bimaa’-roefin ‘aw tasriehum-bi-‘ihsaan. Wa laa yahillu lakum ‘an-ta’-guzoe mimmaaa ‘aatay-tumoehunna sjay-‘an ‘illaaa ‘any-yagaafaaa ‘allaa-yuqiemaa Hudoedal- laah. Fa-‘in giftum ‘allaa yuqiemaa Hudoedallaahi falaa djunaaha ‘alayhimaa fiemaf-tadat bih. Tilka Hudoedullalaahi falaa ta’-tadoehaa. Wa many-yata-‘adda Hudoedallaahi fa-‘ulaaa-‘ika humuz-zaalimoen.

229 Echtscheiding mag twee keer (worden uitgesproken);(a) behoud (hen) dan in goede vriedschap of laat (hen) op goedgunstige wijze gaan.(b) En het is u niet rechtmatig voor jullie om enig deel te nemen van wat jullie hen gegeven hebben,(c) behalve wanneer beiden vrezen dat zij niet binnen de grenzen van Allāh kunnen blijven. Als jullie dan vrezen dat zij niet binnen de grenzen van Allāh kunnen blijven, treft hen geen blaam voor wat zij opgeeft om daardoor vrij te worden.(d) Dit zijn de grenzen van Allāh dus overschrijd hen niet; en wie er de grenzen van Allāh overschrijdt, dit zijn de kwaaddoeners.

230 Fa-‘in-tallaqahaa falaa tahillu lahoe mim-ba’-du hattaa tankiha zawdjan ghayrah: fa-‘in tallaqahaa falaa djunaaha ‘alayhimaaa ‘any-yataraadja-‘aaa ‘in zannaaa ‘any-yuqiemaa Hudoedallaah. Wa tilka Hudoedullaahi yubbayyi-nuhaa liqawminy-ya’-lamoen.

230 Dus wanneer hij (de derden maal) van haar scheidt,(a) zal zij daarna niet meer wettig voor hem zijn totdat zij een andere echtgenoot trouwt. Wanneer die van haar scheidt, treft geen van beiden blaam als zij tot elkaar weerkeren (door te trouwen), wanneer zij denken binnen de grenzen van Allāh te kunnen blijven.(b) En dit zijn de grenzen van Allāh die Hij duidelijk maakt aan mensen die weten.

231 Wa ‘izaa tallaqtumun-nisaaa-‘afabalaghna ‘adjalahunna fa-‘amsikoehunna bi-ma’-roefin ‘aw sar- rihoe-hunna bi-ma’-roef. Wa laa tumsikoehunna ziraaral-lita-tadoe. Wa many-yaf-‘al zaalika faqad zalama nafsah. Wa laa tattagizoe ‘Aayaatillaahi huzuwaa, wazkuroe ni’-matallaahi ‘alaykum- wa maaa ‘anzala ‘alaykum-minal-Kitaabi wal–Hikmati ya-‘izukum-bih. Wattaqullaaha wa’-lamoe ‘annal- laaha bikulli sjay-‘in ‘ Aliem.

231 En wanneer jullie scheiden van vrouwen en zij hun voorgeschreven tijd bereiken, behoud hen dan op vriendelijke wijze of laat hen op goedgunstige wijze gaan, en behoud hen niet om hen te benaderen,(a) waardoor jullie de grenzen overschrijden. En wie dit doet, doet zijn eigel ziel zeker onrecht aan. En maak Allāh’s boodschap niet tot een voorwerp van spot,(b) en herinner je Allāh’s gunst aan jullie, en hetgeen Hij jullie gepenbaard heeft van het Boek en de Wijsheid, om jullie hiermee te vermanen. En voldoe jullie plicht aan Allāh, en weet dat Allāh de Weter van alle dingen is.

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

229a. De echtscheiding waarover hier wordt gesproken is de herroepbare echtscheiding van v. 228, waarna een verzoening tot stand kan worden gebracht tijdens de wachtperiode. In de dagen der onwetendheid was de man gewoon van zijn echtgenote te scheiden en haar terug te nemen binnen de voorgeschreven tijd, zelfs al zou hij dit duizend keer doen. De Islām herzag dit gebruik door slechts twee keer een herroepbare echtscheiding toe te staan, zodat de wachtperiode in allebei de gevallen zou dienen als een tijdelijke scheiding tijdens welke echtelijke banden weer konden worden hersteld. Zoals in 228b wordt duidelijk gemaakt, is het zelfs toegestaan dat dezelfde partijen hertrouwen, wanneer de tijd van de wachtperiode verstreken is.

229b. Na de tweede echtscheiding moet de echtgenoot zijn keus maken om de echtgenote ofwel permanent te behouden, ofwel een definitieve scheiding tot stand te brengen. Het doel van een ware huwelijksverbintenis wordt weergegeven met de eenvoudige woorden behoud hen dan in goede vriendschap. Daar waar de verbintenis gekarakteriseerd wordt door onenigheden en tweedracht in plaats van kameraadschap, en waar de ondervindingen van twee tijdelijke scheidingen aangeven dat er geen echte liefde schuilt in de verbintenis en kameraadschap dus volledig afwezig is, is het enige middel dat overblijft het op goedgunstige wijze laten gaan van de vrouw. Het is zowel in het belang van de echtgenoot als in dat van de echtgenote, en in het belang van de gemeenschap op zich, dat een dergelijke verbintenis tot een einde wordt gebracht, zodat beide partijen een nieuwe verbintenis kunnen zoeken. Maar zelfs bij het zetten van deze laatste stap moet de vrouw vriendelijk behandeld worden.

229c. Een andere voorwaarde in de islamitische echtscheidingswet is dat de vrouw haar bruidsschat volledig krijgt uitbetaald. Dit dient als een sterke beteugeling voor de echtgenoot om niet in een onnodige echtscheiding een uitweg te zoeken.

229d. Deze woorden geven de echtgenote het recht een echtscheiding te eisen. Het is een van de onderscheidende kenmerken van de Islām dat deze de echtgenote het recht verleent om een echtscheiding te eisen, als ze bereid is om de gehele of een gedeelte van haar bruidsschat op te geven. Het geval van Djamilah, echtgenote van Thābit Ibn Qais, is er een dat in ontelbare, zeer gezaghebbende verslagen wordt verhaald. In dit geval was het de echtgenote die ontevreden was met het huwelijk. Er was zelfs geen sprake van onenigheid, zoals de duidelijk zei in haar klacht tot de Profeet (s.a.w.): "Ik kan niets verkeerd aan hem vinden op grond van zijn moraal (d.w.z., zij behandeling van haar) of zijn geloof." Echter, ze haatte hem. En de Profeet (s.a.w.) bewerkstelligde haar echtscheiding op voorwaarde dat zij aan haar echtgenoot de boomgaard zou teruggeven die hij haar had gegeven als huwelijksgeschenk (B. 68:12). Er wordt zelfs gezegd dat de liefde van de echtgenoot voor de echtgenote even intens was als haar haat voor hem (Rz). Als in zo’n geval de vrouw een echtscheiding kon eisen om geen andere reden dan dat het paar niet bij elkaar paste, dan had ze zeker het recht er een te eisen wanneer ze slecht werd behandeld door haar echtgenoot of wanneer er enige andere afdoende reden aanwezig was. Onder de vroege moeslims was het dan ook een gevestigd recht. Zelfs nu is het een recht dat in veel moeslimlanden wordt aangehouden. Technisch gezien wordt zo’n echtscheiding Choel’ genoemd.

Het moet worden gezegd dat, hoewel dit vers de basis vormt voor de wet gerelateerd aan Choel’, de woorden wijzen op een onwillegheid aan de kant van beide echtgenoten om de huwelijkse verbintenis voort te zetten – behalve wanneer beiden vrezen dat zij niet binnen de grenzen van Allāh kunnen blijven. Dit wordt uitgelegd als hun onmacht om aan de huwelijkse plichten te voldoen en kameraadschappelijk te blijven (B. 68:13). De reden hiervoor is kennelijk dat deze passage volgt op een passage die een permanente relatie vereist die niet meer verbroken kan worden als de echtgenoot die aanvaard heeft na een tweede echtscheiding, zodat de relatie alleen verbroken kan worden als de echtgenote hem ondraaglijk vindt. Een andere reden lijkt te zijn dat de vrouw meestal de laatste is die de huwelijkse verbintenis wil verbreken.

De woorden als jullie vrezen verwijzen kennelijk naar de ter zake doende gevestigde autoriteiten en dit geeft aan dat de autoriteiten zich met de zaak kunnen bemoeien. Er zijn zelfs zqaken op schrift gesteld waarin onrecht, aangedaan door een onterechte echtscheiding, door de autoriteiten werd gesteld.

230a. De woorden verwijzen naar "laten gaan op goedgunstige wijze" uit het voorgaande vers, en vandaar dat hier met scheiding de onherroepelijke echtscheiding wordt bedoeld die de derde keer wordt uitgesproken, d.w.z. nadat er tweemaal scheiding en herstel van huwelijkse rechten heeft plaatsgevonden.

230b. Als een echtgenote tweemaal gescheiden is, waarna elke keer verzoening tot stand is gebracht en is mislukt, wordt de derde echtscheiding onherroepelijk en de echtgenoot kan de gescheiden echtgenote niet hertrouwen tot zij elders getrouwd en gescheiden is. Het vers maakt een eind aan de immorele gewoonte van halālah, ofwel het tijdelijk ondergaan van een huwelijk met geen ander doel dan het legaliseren van de gescheiden echtgenote voor de eerste echtgenoot. Deze gewoonte heerste in de dagen der Onwetendheid, maar daar werd, volgens een verslag dat gaat over zijn vervloeking van mensen die toegeven aan duivelse praktijken, door de Profeet (s.a.w.) een eind aan gemaakt (Tr. 9:25). Er moet een oprecht huwelijk zijn en een oprechte echtscheiding.

Deze beperking maakt een derde echtscheiding een heel zeldzaam verschijnsel, en zij fungeert dus ook als nog een belemmering van veelvoudige echtscheiding. De opmerkinggen van Muir over het ongemak dat deze regel brengt aan "de onschuldige echtgenote" maar ook aan "de onschuldige kinderen", want "hoezeer de echtgenoot ook de fout ongedaan wil maken, de beslissing kan niet herroepen worden", is totaal ongerechtvaardigd. De onherroepbare echtscheiding kan niet worden uitgesproken vóór er twee keer een tijdelijke scheiding heeft plaatsgevonden en beide ervaringen hebben aangetoond dat de huwelijkse verbintenis niet voortgezet kan worden. Het is niet zo dat, door eenvoudigweg driemaal het uitspreken van een echtscheiding te herhalen, de derde herhaling onherroepbaar wordt. Een scheiding moet werkelijk twee keer hebben plaatsgevonden, iedere keer gevolgd door verzoening, en alleen dan wordt de derde echtscheiding onherroepbaar. Het komt in werkelijkheid dan ook zeer zelden voor. Het geval van Roekānah geeft een voorbeeld. Hij scheidde driemaal van zijn echtgenote in de tijd van de Profeet (s.a.w.), maar dit telde als een enkele echtscheiding, en hij nam zijn echtgenote terug op bevel van de Profeet (s.a.w.). Toen scheidde hij van haar in de tijd van ‘Oemar en weer werd een verzoening tot stand gebracht, en uiteindelijk scheidde hij van haar in de tijd van ‘Oethmān (AD. 13:3).

231a. Wat hieruit volgt is dat, als bewezen wordt dat de echtgenoot zijn echtgenote benadeeld heeft, hij haar niet kan behouden en zij een echtscheiding kan eisen. Het nadeel dat de echtgenote wordt toegebracht kan van algemene aard zijn, of kan betrekking hebben op het doel haar te verplichten van de gehele of een deel van de bruidsschat af te zien om een echtscheiding te krijgen. Deze praktijk heerste onder preïslamitische Arabieren en de woorden zijn bedoeld om dit kwaad te onderdrukken (Rz). Het is aan de rechter om erop toe te zien dat de echtgenoot niet op een onbehoorlijke wijze misbruik van zijn positie maakt. Aan de andere kant wordt de echtgenoot bevolen vrijgevig te zijn tegenover de gescheiden echtgenote, en de rechter zou er zonder twijfel op toe zien dat de geboden van het Heilige Boek werden nageleefd. Het wordt in 4:35 duidelijk gemaakt dat de beslissing in scheidingszaken bij de aangewezen rechters ligt, niet bij de echtgenoot of echtgenote.

231b. De geboden met betrekking tot de vriendelijke behandeling van vrouwen moeten niet te licht worden opgevat, wordt ons hier verteld. Vrouwen behouden om hen te benadelen is al eerder zondig verklaard en door te stellen dat dit heel serieuze zaken zijn die verbonden zijn aan het welzijn van de gehele gemeenschap, wordt de nadruk nu op de juiste naleving van deze geboden gelegd.

31 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel30) op do sep 20, 2012 7:21 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 30: Hertrouwen van gescheiden vrouwen en weduwen

232 Wa ‘izaa tallaqtumun-nisaaa-‘a fabalaghna ‘adjalahunna falaa ta’-zuloehunna ‘any-yankihna ‘azwaadjahunna ‘izaa taraazaw baynahum-bil-ma’-roef. Zaalika yoe-‘azu bihieman-kaana minkum yu’-minu billaahi wal-Yawmil-‘Aakhir. Zaalikum azkaa lakoum wa ‘athar. Wal-laahu ya-lamu wa ‘antum laa ta’-lamoen.

232 En wanneer jullie scheiden van vrouwen en zij beëndigen hun termijn, weerhoud hen er dan niet van hun echtgenoten te trouwen wanneer zij het samen op wettige wijze eens worden.(a) Hiermee wordt degene onder jullie vermaand die gelooft in Allāh en de Laatste Dag. Hier hebben jullie meer baat bij en het is zuiverder. En Allāh weet terwijl jullie niet weten.

233 Wal-waalidaatu yurzi’-na ‘awlaada-hunna haw-layni kaamilayni liman ‘araada ‘any-yutimmar-razaa-‘ah. Wa ‘alalmawloedi lahoe rizquhunna wa kiswatuhunna bil-ma’-roef. Laa tukallafu nafsun ‘illaa wus-‘ahaa. Laa tuzaarra waalidatum-bi-waladihaa wa laa mawloedul-lahoe biwaladihie wa ‘alal-waarisi mislu zaalik. Fa-‘in ‘araadaa fisaalan ‘an taraazim-min-humaa wa tasjaawurin-falaa djunaaha ‘alayhimaa. Wa ‘in ‘arattum ‘an-tastar-zi-‘oe ‘awlaadakum falaa djunaaka ‘alaykum ‘izaa sallamtum-maaa ‘aataytum-bil-ma’-roef. Wattaqullaaha wa’-lamoe ‘annallaaha bimaa ta’- maloena Basier.

233 En moeders(a) zullen hun kinderen twee volle jaren zogen, voor degene die de zoogtijd wenst te volbrengen. En hun onderhoud en hun kleding zijn de verantwoordelijkheid van de vader, overeenkomstig het gebruik. Geen ziel zal worden belast met meer dan zij aankan. Noch zal een moeder worden gedwongen te lijden ter wille van haar kind, noch een vader ter wille van zijn kind; en een gelijke plicht (gaat over) op de erfgenaam (van de vader).(b) Maar wanneer beiden, in onderlinge overeenstemming en na beraad, wensen te spenen, treft hen geen blaam. En wanneer het jullie wens is een min in dienst te nemen voor jullie kinderen, treft jullie geen blaam zolang jullie betalen wat jullie beloofden, overeenkomstig het gebruik. En voldoe jullie plicht aan Allāh en weet dat Allāh Degene is Die ziet wat jullie doen.

234 Wallaziena yutawaffawna minkum wa yazaroena ‘azwaadjany-yatarab-basna bi-‘anfusihinna ‘arba-‘ata ‘asj-hurinw-wa ‘asjraa. Fa-‘izaa balagna ‘adjalahunna falaa djunaaha ‘alaykum fiemaa fa-‘alna fie ‘anfusihinna bil-ma’-roef. Wallaahu bimaa ta’-maloena Gabier.

234 En (wat betreft) degenen onder jullie die sterven en echtgenotes achterlaten, deze vrouwen moeten zichzelf vier maanden en tien dagen wachtend houden;(a) wanneer zij hun termijn volbrengen, treft jullie geen blaam voor wat zij op rechtmatige wijze voor zichzelf doen.(b) En Allāh is Zich Bewust van wat jullie doen.

235 Wa laa djunaaha ‘alaykum fiemaa ‘arraztum-bihie min gitbatin-nisaaa-‘i ‘aw ‘aknantum fie ‘anfu- sikum. ‘Ali-mallaahu ‘annakum satazkuroenahunna wa laakillaa tuwaa-‘idoehunna sirran ‘illaaa ‘an-taqoeloe qawlam-ma-roefaa. Wa laa ta’-zimoe ‘uqdatan-Nikaahi hattaa Yablughal-Kitaabu ‘adjalah. Wa’-lamoe ‘annallaaha ya’- lamu maa fie ‘anfusikum fah-zaroeh; wa’-lamoe ‘annallaaha Ghafoerun Haliem.

235 En jullie treft geen blaam aangaande hetgeen jullie op indirecte wijze bespreken bij het ten huwelijk vragen van (zulke) vrouwen of wanneer jullie het (huwelijksaanzoek) verborgen houden in jullie gedachten. Allāh weet dat jullie hen in gedachten zullen hebben, maar doe hen geen geheime beloftes, tenzij jullie op rechtmatige wijze spreken. En bekrachtig de huwelijksband niet totdat de voorgeschreven periode ten einde loopt.(a) En weet dat Allāh weet wat er in jullie gedachten is, dus wees gewaarschuwd voor Hem; en weet dat Allāh Vergevensgezind is, Verdraagzaam.

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

232a. Er is al eerder gesteld dat, als een echtscheiding is uitgesproken, de echtelijke verbintenis hersteld kan worden binnen de wachtperiode. Hier wordt gezegd dat als de wachtperiode verstreken is, zelfs dan de vorige echtgenoot de gescheiden echtgenote kan hertrouwen. De zuster van Ma’qil ibn Jasār was door haar echtgenoot gescheiden en toen de ‘iddah voorbij was, benaderde de man Ma’qil weer om haar aan hem ten huwelijk te geven. Zij wilde wel maar Ma’qil was het er niet mee eens. Toen werd dit vers geopenbaard (B. 65:ii, 40). Het huwelijk van een gescheiden vrouw met haar vorige echtgenoot is dus duidelijk toegestaan en de afhandeling van een namaakceremonie door eerst met een ander te trouwen is een nieuwigheid van latere datum.

233a. Met moeders wordt hier, zoals de context aangeeft, specifiek vrouwen bedoeld die gescheiden zijn en die kinderen aan de borst hebben.

233b.
In het geval dat de vader sterft voordat het kind gespeend is, is de erfgenaam verplicht de kosten te dragen.

234a. In het geval van een weduwe is de wachtperiode vier maanden en tien dagen. Maar als de gescheiden vrouw of weduwe zwanger is, wordt de periode verlengd tot aan de bevalling (65:4).

234b. De betekenis is dat de weduwe op zoek kan gaan naar een echtgenoot en kan hertrouwen.

235a. Het woord Kitāb, lett. geschrift, betekent hier de wachtperiode voorgeschreven aan vrouwen, zodat een huwelijk dat tijdens die periode wordt voltrokken, onwettig is.

32 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel31) op do sep 20, 2012 7:25 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 31: Voorziening voor gescheiden vrouwen en weduwen

236 Laa djunaaha ‘alaykum ‘in tallaqtumun-nisaaa-‘a maa lam tamassoe-hunna ‘aw taf-rizoe lahunna fariezah. Wa matti-‘oehunna, ‘alalmoesi-‘i qadaruhoe wa ‘alalmuqtiri qadaruh. Mataa-‘am-bil-ma-roefi: Haqqan ‘alal-Muhsinien.

236 Jullie treft geen blaam wanneer jullie scheiden van vrouwen terwijl jullie hen nog niet hebben aangeraakt, noch hen een deel hebben toegekend. En tref voor hen een voorziening, de rijke gebaseerd op zijn middelen en de arme gebaseerd op zijn middelen, overeenkomstig het gebruik. (Dit is) een plicht voor degenen die goeddoen.(a)

237 En als jullie van hen scheiden vóór jullie van hen hebben aangeraakt en zij hebben een deel toegekend gekregen, (betaal) de helft van wat jullie hebben toegekend, tenzij zij ervan afzien of degene in wiens hand de huwelijksband ligt ervan afziet.(a) En het is dichter bij plichtsgetrouwheid dat jullie ervan afzien. Vergeet ook niet het onderling uitwisselen van vrijwillige geschenken.(b) Waarlijk is Allāh Degene Die wat jullie doen.

237 Wa ‘in-tallaqtumoe-hunna min-qabli ‘an-tamas-soehoenna wa qad faradtum lahunna fariezatan-fa-nisfu maa faraztum ‘illaaa ‘any-ya’-foena ‘aw ya’-fu-wallazie bi-yadihie ‘uqdatun-Nikaah. Wa ‘an ta’- foe ‘aqrabu littaqwaa. Wa laa tansawul-fadla baynakum. ‘Innallaaha bimaa ta’-maloena Basier.

238 Haafizoe ‘alas-Salawaati was-Salaatil-wustaa; wa qoemoe lillaahi qaanitien.

238 Draag zorg voor de gebeden en het meest uitmuntende gebed, en sta waarlijk gehoorzaam tot Allāh.(a)

[i]239 Fa-‘in giftum fa-ridjaalan ‘aw rukbaanaa. Fa-‘izaaa ‘amintum fazkurullaaha kamaa ‘alla-makum-maa lam takoenoe ta’-lamoen.[/i]

239 Maar wanneer jullie in gevaar verkeren (zeg jullie gebeden) te voet of te paard. En wanneer jullie veilig zijn, gedenk Allāh dan, daar Hij jullie geleerd heeft wat jullie niet wisten.(a)

240 Wallaziena yutawaffawna minkum wa yazaroena ‘azwaadjaw-was ‘iyyatalli-‘azwaadjihim-mataa-‘an ‘ilal hawli ghayra ‘ig-raadj. Fa-‘in garadjna falaa yunaaha ‘alaykum fie maa fa-‘alna fie ‘anfusihinna mimma’-roef. Wallaahu ‘Aziezun–Hakiem.

240 En degenen onder jullie die sterven en echtgenotes achterlaten, moeten een legaat maken ten gunste van hun echtgenotes voor onderhoud van een jaar zonder (hen) weg te sturen. Wanneer zij dan zelf weggaan, treft jullie geen blaam voor wat zij aan rechtmatige handelingen voor zichzelf verrichten. En Allāh is Machtig, Wijs.(a)

241 Wa lil-mutallaqaati mataa-‘um-bil-ma’-roef. Haqqan ‘alal-Muttaqien.

241 En voor de gescheiden vrouwen (behoort) op vriendelijke wijze een voorziening (te worden getroffen). Dit is verplicht voor degenen die verplichtingen respecteren.(a)

242 Kazaalika yubayyinullaahu lakum ‘Aayaatihie la-‘allakum ta’-qiloen.

242 Zo maakt Allāh Zijn boodschap aan jullie duidelijk, opdat jullie kunnen begrijpen.

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

236a. De Faridah of het deel is de bruidschat. Dit betekent dat wanneer er geen bruidsschat bepaald is en het huwelijk niet geconsummeerd is, er toch vrijgevigheid getoond moet worden jegens de echtgenote van wie gescheiden wordt. Zelfs als de echtgenoot in behoetige omstandigheden verkeert, moeten er voorzieningen voor haar getroffen worden.

237a. De echtgenoot is de persoon in wiens hand de huwelijksband ligt. Het afzien van zijn deel is gelijk aan het niet opeisen van de helft van de bruidsschat waartoe hij door dit vers gerechtigd is. Merk op dat er hier wordt gezegd dat het een meer prijzenswaardige houding is wanneer de echtgenoot afziet van het deel waar hij recht op heeft.

237b. Met fadl wordt hier het doen van een edele of plezierige daad bedoeld die iemand niet verplicht is te doen; wat wordt geïmpliceerd is daarom het geven van vrijwillige geschenken.

238a. Wasat, waarvan woestā de overtreffende trap is, betekent zowel het midden als uitmuntend, want wasat verwijst soms naar een plaats en soms naar een graad (R.). Al-Salāt al-woestā betekent het beste of het meest uitmuntende gebed, niet het middelste gebed, omdat woestā in de overtreffende trap staat en middelste geen overtreffing kan zijn. In de Hadies wordt over het namiddaggebed, ‘Asr, gesproken als Al-Salāt al-woestā (B. 56:98). Deze naam kan er aan gegeven zijn omdat het vanuit het gezichtspunt van de zakenman het drukste gedeelte van de dag is, en hij er daarom heel moeilijk tijd voor kan maken. Er zijn echter verschillende andere suggesties omtrent de betekenis en misschien verwijst het niet naar een gebed in het bijzonder, maar betekent het slechts dat men zich op uitmuntende wijze aan het gebed moet wijden. Het zorg dragen voor gebeden betreft niet slechts het toezicht op de uiterlijke vorm. Het gaat zowel om de vorm als om de geestelijke inspiratie waaraan aandacht moet worden besteed. Gebeden moeten op vastgestelde tijden worden verricht en er moet een speciale methode in acht worden genomen. Zouden regelmaat en methode niet in acht worden genomen, dan zou het instituut van het gebed dat zo’n steun is bij het in leven houden van een waar geloof in Allāh in het hart van een moeslim, veranderd zijn in enkel idealisme zoals in andere religies. Het is zo dat er een uiterlijke vorm noodzakelijk is om de geest van de mens in contact te houden met de Goddelijke Geest. Het is absurd om overhaast tot de conclusie te komen dat, omdat de Islām vereist dat er een uiterlijke vorm wordt gehandhaafd, het islamitische gebed verstoken zou zijn van geestelijke inspiratie. De uiterlijke vorm is noodzakelijk om het innerlijke vermogen te actieveren. Wat betreft de geestelijke inspiratie in het gebed, wordt daar in de Qoer-ān steeds opnieuw de aandacht op gevestigd. In dit geval wordt het gebod om zorg te dragen voor de gebeden gevolgd door de woorden: Sta waarlijk gehoorzaam tot Allāh. Dit is de geestdrift die het gebed wenst over te brengen, de geestelijke drift van gehoorzaamheid aan Allāh. Elders wordt ons verteld: "Waarlijk houdt het gebed (de mens) weg bij onzedelijkheid en het kwade" (29:45). In feite veroordeelt de Qoer-ān gebeden die verstoken zijn van geestelijke inspiratie (107:4–6).

239a. De verwijzing naar gevaar betreft de vijand, die een aanval op de moeslims zou kunnen doen als zij hun verdediging zouden negeren wanneer zij zich wijden aan het gebed. Dit is dus een terugkeer naar het onderwerp strijd, een onderwerp dat eigenlijk door het gehele hoofdstuk heen wordt behandeld. De nadruk op gebeden in het voorgaande vers is ook te danken aan het feit dat het gebed het gevaar liep te worden verwaarloosd tijdens de strijd. Er moet ook worden opgemerkt dat het vraagstuk omtrent weduwschap, dat hier behandeld wordt, nauw verbonden is met de strijd, omdat oorlogen het aantal weduwen doen toenemen. In de volgende paragraaf keert het onderwerp strijd duidelijk terug.

240a. Er is niets dat aangeeft dat dit vers wordt opgeheven door een ander vers in de Heilige Qoer-ān. Noch v. 234 noch 4:12, bevat iets dat tegengesteld is aan dit vers. Het eerste van deze twee spreekt over de wachtperiode voor een vrouw, maar hier staat niets over de wachtperiode. Het gaat eenvoudigweg over een legaat gemaakt door de echtgenoot, dat de weduwe een aanvullende uitkering moet krijgen, namelijk een jaar kost en inwoning. Het latere deel van het vers stelt dat als de weduwe uit eigen beweging het huis verlaat, zij geen recht heeft op enige verdere tegenmoetkoming en de erfgenamen van de overleden echtgenoot treft geen blaam voor wat de weduwe aan wettige daden doet, d.w.z., als zij hertrouwt nadat haar wachtperiode van vier maanden en tien dagen voorbij is. Wat betreft 4:12, het vierde of het achtste deel van het bezit van de overleden echtgenoot is van haar in aanvulling op wat zij volgens dit vers verkrijgt, en 4:12 zegt duidelijk dat alles wat volgens het testament betaald moet worden voorrang heeft op de verdeling van het bezit in delen volgens dat vers. De uitleg van Moedjāhid van dit vers is precies hetzelfde: “Allāh gaf haar (d.w.z. de weduwe) een geheel jaar, waarvan zeven maanden en 20 dagen optioneel volgens legaat; als zij dat wenste kon ze overeenkomstig het legaat blijven (ze had nl. kost en inwoning voor een jaar), en als zij dat wilde kon ze het huis verlaten (en hertrouwen), zoals de Qoer-ān zegt: Als ze dan uit eigen beweging weggaan, treft jullie geen blaam" (B. 65:ii, 41).

241a. Merk op dat deze voorziening in aanvulling is op de bruidsschat die aan hen betaald moet worden. Net zoals in het voorgaande vers de weduwe een aanvullende uitkering wordt gegeven, wordt hier voor de gescheiden vrouw een voorziening in aanvulling op haar bruidsschat aanbevolen. Dit toont hoe liberaal de geboden van de Heilige Qoer-ān zijn ten opzichte van vrouwen.





33 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel32) op do sep 20, 2012 7:29 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 32: Strijden voor de zaak van de Waarheid

243 ‘Alam tara ‘ilallaziena garadjoe min diyaarihim wa hum ‘uloefun hazaralmawt? Fa-qaala lahu- mullaahu moetoe: summa ‘ah-yaahum. ‘Innallaaha la-Zoe-Fazlin ‘alannaasi wa laakinna ‘aksaran- naasi laa yasj-kuroen.

243 Heb jij niet nagedacht over degenen, die uit hun huizen wegtrokken, en het waren er duizenden. uit angst voor de dood. Toen zei Allāh tegen hen, Sterf. Toen schonk Hij hen leven. Allāh is waarlijk Goedgunstig voor mensen, maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.(a)

244 Wa qaa-tiloe fie sabielillaahi wa’-lamoe-‘annallaaha Samie-‘un ‘Aliem.

244 En strijdt langs Allāh’s weg, en weet dat Allāh Horend is Wetend.(a)

245 Man-zallazie yuqrizullaaha Qardan Hasanan fa-yuzaa-‘ifahoe lahoe ‘az-‘aafan-kasierah? Wallaa-hu yaqbizu wa yab-sut. Wa ‘ilayhi turdja-‘oen.

245 Wie is het die een uitnemende gift aan Allāh zal offeren, (a)opdat Hij het voor hem vele malen vermenigvuldigt? en Allāh ontvangt en vergroot,(b) en tot Hem zullen jullie worden teruggebracht.

246 ‘Alam tara ‘ilal-mala-‘i mim-Banie-‘Israaa-‘iela mimba’-di Moesaa? ‘Iz qaaloe linabiyyil-lahumub-‘as lanaa Malikan-nuqaatil fie Sabielillaah. Qaala hal ‘asaytum ‘inkutiba ‘alaykumul-qitaalu ‘allaa tuqaatiloe? Qaaloe wa maa lanaaa ‘allaa nuqaatila fie Sabielillaahi wa qad ‘ugridjnaa mindiyaarinaa wa ‘abnaaa-‘inna? Falammaa kutiba ‘alay-himulqitaalu tawallaw ‘illaa qalielamminhum. Wallaahu ‘Aliemoembiz-zaalimien.

246 Heb jij niet nagedacht over de leiders van de Kinderen van Israël na Mozes? Toen zij tegen een van hun profeten zeiden: Laat voor ons een koning opstaan opdat wij kunnen strijden langs Allāh’s weg.(a) Hij zei: Zal het nietzo zijn dat jullie niet zullen strijden, wanneer de strijd jullie wordt bevolen? Zij zeiden: En welke reden hebben wij om niet langs Allāh’s weg te strijden, en wij zijn zeker beroofd van onze huizen en onze kinderen?(b) Maar toen hen de strijd werd bevolen, keerden zij terug, behalve enkelen van hen. En Allāh is de Kenner van de kwaaddoeners.

247 Wa qaala lahum Nabiyyuhum ‘innallaaha qad ba-‘asa lakum Taaloeta Malikaa. Qaaloe ‘annaa yakoenu lahulmulku ‘alaynaa wa nahnu ‘a-haqqu bil-mulki minhu wa lam-yu’-ta sa-‘atam-minal-maal? Qaala ‘innallaa-hastafaahu ‘alaykum wa zaadahoe bastatan-fil-‘ilmi wal-djism. Wallaahu yu’-tie mulkahoe many-yasjaaa’. Wallaahu Wasi-‘un ‘Aliem.

247 En hun profeet zei tot hen: Waarlijk heeft Allāh Saul doen opstaan om jullie Koning te zijn.(a) Zij zeiden: Hoe kan hij koning zijn over ons terwijl wij meer recht hebben op koningschap dat hij, en hem geen overvloedige rijkdom is geschonken?(b) Hij zei: Allāh heeft hem waarlijk verkozen boven jullie, en heeft zijn kennis en fysieke kracht overvloedig doen toenemen.(c) En Allāh schenk Zijn koninkrijk aan wie het Hem behaagt. En Allāh is Ruimgevend, Wetend.

248 Wa qaala lahum Nabiyyuhum ‘inna ‘aayata-Mulkihie ‘any-ya’-tiyakumut-Taa-boetu fiehi sakie- natum-mir-Rabbikum wa baqiyyatum-mimmaa taraka ‘Aalu-Moesaa wa ‘Aalu-Haaroena tahmilu-hul-malaaa-‘ikah. ‘Inna fie zaalika la-‘aayatal-lakum ‘in-kuntum–Mu’-minien.

248 En hun profeet zei tot hen: Waarlijk is het teken van zijn koninkrijk dat het hart(a) tot jullie zal komen waarin er rust schuilt van jullie Heer, en het beste(b) van wat de volgelingen van Mozes en de volgelingen van Aäron hebben nagelaten, gedragen door de engelen.(c) Waarlijk schuilt hierin een teken voor jullie, als jullie gelovigen zijn.

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

243a. Oeloef is ofwel meervoud van alf, wat duizend betekent, ofwel van alif, een bijeenkomst of in een toestand van eenheid (LL). De duizenden waarnaar in dit vers verwezen wordt zijn de Israëlieten die Egypte verlieten met Mozes, terwijl de gehele Israëlitische menigte in de Thora een samenkomst wordt genoemd. De duidelijke vermelding van de Kinderen van Israël na Mozes in v. 246 ondersteunt dit. Hier zien we een volk dat haar huizen verliet uit angst voor de buiten de Israëlitische exodus vanuit Egypte beantwoordt geen andere gebeurtenis uit de geschiedenis aan deze beschrijving. Het is zelfs zo, dat het woord charadjoe (zij gingen voort) van choeroedj (wat exodus betekent) een directe verwijzing bevat naar de exodus van de Israëlieten. In een opzicht verschilt de Heilige Qoer-ān echter van de Bijbel. Volgens de laatsgenoemde bedroeg het aantal Israëlieten toen zij Egypte verlieten meer dan 600.000 (Num. 1:46), maar de Qoer-ān zegt dat het er duizenden waren, niet honderdduizenden. Het lijdt geen twijfel dat de Israëlieten Egypte verlieten uit doodsangst, want de dood zou hen ongetwijfeld ten deel zijn gevallen als ze niet geëmigreerd waren. Niet alleen waren er door Farao bevelen gegeven om hun mannelijke nageslacht te doden, maar ze werden ook zodanig onderdrukt dat dit hen spoedig in een toestand van intellectuele en morele dood had gebracht (vergelijk v. 49).

De volgende gebeurtenis in de geschiedenis van het volk waarnaar hier wordt verwezen is het Goddelijke gebod aan hen om te "sterven". Dit wordt nader verklaard in 5:21–26. Mozes zei hen het het Heilige Land te betreden "dat Allāh voor jullie heeft bestemd", maar zij weigerden en werden gedwongen veertig jaar in de wildernis rond te zwerven, zodat die generatie omkwam. Dit wordt ook aangetoond door hun geschiedenis zoals die wordt verteld in het Oude Testament: "In deze woestijn zullen uw lijken vallen … gij zult niet komen in dat land waarvan Ik gezworen heb u daarin te doen wonen" (Num. 14:29, 30). Dit was hun dood. Hierna, zo wordt ons verteld, schonk Allāh hen leven. Dit verwijst naar de volgende generatie, die het beloofde land erfde: "En uw kinderen … hen zal Ik er brengen, opdat zij het land leren kennen, dat gij verwacht hebt." (Num. 14:31). Het geheel is bedoeld als waarschuwing voor de moeslims, aan wie wordt verteld dat als zij in de voetsporen van de Israëlieten zouden treden, de dood hun lot zou moeten zijn. Deze waarschuwing wordt duidelijk gemaakt in het volgende vers: En strijd langs Allāh’s weg.

244a. Zie 2:190; strijden langs Allāh’s weg staat gelijk aan strijden uit verdediging van het geloof.

245a. Commentaar leverend op dit vers, zegt LL: "Volgens Als, de grammaticus, betekent het: wie is het, die aan Allāh een goede daad of gift zal offeren, of iets waarvoor een beloning gezocht kan worden; of, zoals Ach, een van de meest beroemde grammatici zegt, wie een goede daad zaldoen door het volgen en gehoorzamen van het bevel van Allāh"; en hij voegt eraan toe: "De Arabieren zeggen, qad aqradta-ni qard-an hasan-an, wat jij hebt een goede daad voor mij gedaan en ik ben gebonden deze te compenseren" betekent (T, LL). Volgens Zj, betekent qard iets wat gedaan is waarvoor een beloning verwacht kan worden (Rz).

245b. Allāh ontvangt en vergroot betekent dat Allāh de gift ontvangt die Hem wordt aangeboden en deze vergroot; met andere woorden, elke opoffering die gemaakt wordt voor de zaak van de Waarheid wordt afdoende beloond door Allāh. Of het is een algemene stelling die aanduidt dat de schaarste van de bestaansmiddelen en de aanvulling hiervan in handen is van Allāh, want jaqbidoe betekent ook hij beperkt.

246a. De profeet waarop gezinspeeld wordt is Samuel: "Het volk weigerde echter naar Samuel te luisteren en zij zeiden: Neen, toch moet er een koning over ons zijn … onze koning zal ons richten, vóór ons uitrukken en onze oorlogen voeren." (1 Sam. 8:19, 20). In de geschiedenis die volgt, vertoont de Qoer-ān geen belangrijk verschil met de vertelling in de Bijbel.

246b. 1 Sam. 15:33 laat zien dat het volk van Amalek de Kinderen van Israël had vermoord, terwijl 1 Sam. 17:1 aangeeft dat zij land hadden genomen dat aan Juda toebehoorde.

247a. Saul wordt hier Taloet genoemd, wat van dezelfde vorm is als fa’loet van tāla wat hij of het was lang betekent, en hij wordt zo genoemd vanwege zijn rijzige postuur: “En toen hij midden onder het volk stond, bleek het, dat hij een hoofd boven al het volk uitstak” (1 Sam. 10:23). De eigennamen die gebruikt worden in de Qoer-ān, die enigszins afwijken van de Hebreeuwse orginelen, hebben een eigen betekenis.

247b. Het gemor van het volk bij Sauls verkiezing tot koning, zoals opgenomen in de Heilige Qoer-ān, kent een soortgelijke gebeurtenis in de Bijbel: "Saul echter antwoordde: Ben ik niet een Benjaminiet, uit een van de kleinste stammen van Israël? En is mijn geslacht niet het geringste van alle geschachten van de stam Benjamin?" (1 Sam. 9:21). En nogmaals: "Doch nietswaardige lieden zeiden: Hoe zou deze ons verlossen? Zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk." (1 Sam. 10:27).

247c. Vergelijk 1 Sam. 10:24: "En Samuel zeide tot het gehele volk: Ziet gij wel, wie de Here verkoren heeft? Want er is niemand als hij onder het gehele volk."

248a. De tāboet die hier genoemd wordt is de aanleiding voor een aantal verhalen, vanwege zijn tweeledige betekenis. Het betekent een kist of een doos, en ook de boezem of het hart (LL). Als we de eerste betekenis nemen, is de verwijzing naar de ark, waartegen echter kan worden ingebracht dat de ark lang voor de tijd van Saul aan de Israëlieten was teruggegeven. Maar we kunnen niet zo zeker zijn van het Bijbelse verhaal, dat we alles wat ervan afwijkt als onwaar kunnen verwerpen. Ik geef echter de voorkeur aan de laatstgenoemde betekenis en het gebruik van het woord in die betekenis is welbekend. LL citeert het gezegde, mā auda‘toe tāboeti sjai-an faqadtoe-hoe, d.w.z. ik heb niets aan kennis in mijn boezem opgeslagen dat ik kwijt ben geraakt. R zegt ook dat tāboet qalb betekent, of het hart, en hij citeert ‘Oemar die het heeft over IMsd, "een vat gevuld met kennis", kennelijk verwijzend naar het hart. Dat het woord in deze betekenis in de Heilige Qoer-ān wordt gebruikt blijkt uit de beschrijving die volgt. Rust van de Heer is niet iets dat in dozen wordt gestopt, maar het hart is haar juiste bewaarplaats. Bij vijf andere gelegenheden wordt het neerdalen van sakinah, of rust, genoemd in de Heilige Qoer-ān, en iedere keer is het het hart van de Profeet (s.a.w.) of de gelovigen die de ontvanger is. In 48:4 wordt bijvoorbeeld gezegd: "Hij is het Die rust deed neerdalen in de harten van de gelovigen zodat zij geloof konden toevoegen aan hun geloof." Volgens LA, betekent sakinah ook genade; en hij citeert een uitspraak van de Profeet (s.a.w.): "Er kwam genade (Ar. Sakinah) over hen gedragen door de engelen."

Met de komst van "het hart waarin er rust schuilt" wordt de verandering bedoeld die Saul doormaakte toen hij koning werd: "Terwijl hij zich omkeerde om van Samuel weg te gaan, schonk, God hem een ander hart" (1 Sam. 10:9). Dit komt precies overeen met de verklaring die in de Qoer-ān wordt gegeven. En verder wordt er gezegd: "De Geest Gods greep hem aan en hij geraakte onder hen in geestvervoering" (1 Sam.10:10). Dit is zonder twijfel het beste wat de ware volgelingen van Mozes en Aäron achterlieten.

248b. Het woord baqijjah betekent zowel een restant als voortreffelijkheid of het beste van iets (LL). Je zegt baqijjat al-qaum als je de beste van de mensen bedoelt (LL). Oeloe baqijjat-in in de Heilige Qoer-ān (11:116) betekent mensen doordrongen van voortreffelijkheid. En baqijjat-Allāh (11:86) betekent gehoorzaamheid of een toestand van goedheid die blijvend is. Vandaar dat baqijjah in elke betekenis duidt op de zegeningen van de vroegere dagen. En zo werd het een gezegde onder de Israëlieten: "Is Saul ook onder de profeten?" (1 Sam. 10:12).

248c. De ark uit 1 Sam. 4:4 werd getrokken door ossen en niet door engelen en omdat, volgens de Heilige Qoer-ān, de dragers van de tāboet engelen waren, is dit nog een extra reden om aan te nemen dat met tāboet hier het hart wordt bedoeld. Maar zie ook een uitspraak van de Profeet (s.a.w.), geciteerd in 248a, waaruit blijkt dat "het" in het vers kan referen aan sakinah en baqijjah in plaats van tāboet, en de betekenis zou dan zijn dat de kalmte en inspiratie door de engelen naar het hart van Saul werden gedragen.

34 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel33) op do sep 20, 2012 7:33 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 33: Strijden voor de zaak van de Waarheid Deel 2

249 Fa-lammaa fasala Taaloetu bil-djunoedi qaala ‘innallaaha mubtaliekum-bi-nahar. Faman-sjariba minhu falaysa minnie: wa mal-lam yat-‘amhu fa-‘innahoe minnie ‘illaa manightarafa ghurfatam-bi-yadih. Fa-sjariboe minhu ‘illaa qalielam-minhum. Falammaa yaawazahoe huwa wallaziena ‘aamanoe ma-‘ahoe qaaloe laa taaqata lanal-Yawma bi-Djaaloeta wa djunoedih. Qaalallaziena yazunnoena ‘an- nahum-mulaaqullaahi kam-min-fi-‘atin-qalieatin galabat fi-‘atan-kasieratam-bi-‘iznillaah? Wallaahu ma-‘as-Saabirien.

249 Dus toen Saul eropuit trok met de strijdkrachten, zei hij: Allāh zal jullie waarlijk beproeven met een rivier. Iedereen die ervan drinkt, hoort niet bij mij, en iedereen die er niet van proeft, hoort waarlijk bij mij, behalve degene die met zijn hand een handvol opschept. Maar zij dronken ervan behalve enkelen van hen.(a) Dus toen hij haar was overgestoken, hij en degenen die met hem geloofden, zeiden zij: Vandaag hebben wij geen macht tegen Goliat(b) en zijn strijdkracht. Degenen die er zeker van waren dat zij hun Heer zouden ontmoeten, zeiden: Hoe vaak heeft een kleine groep, met toestemming van Allāh, een veel groter leger overwonnen! En Allāh is met de standvastigen.(c)

250 Wa lammaa bazazoe li-Djaloeta wa yunoedihie qaaloe Rabbanaaa ‘afrigh ‘alaynaa sabranw-wa sabbit ‘aqdaamanaa wansurnaa ‘alal-Qawmil-kaafirien.

250 En toen zij optrokken tegen Goliat en zijn strijdkrachten, zeiden zij: Onze Heer, vervult ons met geduld en maak onze tred vastberaden en help ons tegen de ongelovige mensen.

251 Fa-hazamoehum-bi-‘iznillaahi wa qatala Daawoedu Djaaloeta wa’aataahullaahul-Mulka wal-Hikmata wa ‘allamahoe mimmaa yasjaaa’. Wa law laa daf-‘ullaahin naasa ba’-dahum-bi-ba’-zil-lafasadatil-‘ardu wa laa-kinnallaahie Zoe-Fadlin-‘alal-‘aalamien.

251 En zo joegen zij hen op de vlucht met Allāh’s toestemming. En David doodde Goliat, en Allāh gaf hem koningschap en wijsheid,(a) en leerde hem van wat Hem behaagde. En ware het niet dat Allāh sommige mensen terugwerp door middel van anderen, dan zou de aarde waarlijk in een staat van wanorde verkeren:(b) Maar Allāh is Vol goedgunstigheid tegenover de werelden.

252 Tilka ‘Aayaatullaahi natloe-haa ‘alayka bil-haqq; wa ‘innaka laminal–Mursalien.

252 Dit zijn de boodschap van Allāh – Wij dragen haar met waarheid aan jou voor; en waarlijk behoor jij tot de boodschappers.

253 TILKAR–RUSULU fazzalnaa ba’-dahum ‘alaa ba’-d. Minhum-mah-kallamallaahu wa rafa-‘a ba’-dahum daradjaat. Wa ‘aataynaa ‘Iessabna-Maryamal-Bayyinaati wa ‘ayyadnaahu bi-roehil-qudus. Wa law sjaaa-’allaahu maqtata-lallaziena mim-ba’-dihim-mim-ba’-di maa djaaa-‘at-humul-Bayyi-naatu wa laa-kinig-talafoe faminhum-man ‘aamana wa minhum-man-kafar. Wa law sjaaa-’allaahu maq–tataloe; wa laa-kinnallaaha yaf-‘alu maa yuried.

253 Wij hebben sommige van deze boodschappers boven anderen verheven.(a) Onder hen zijn degenen tegen wie Allāh sprak, en sommigen van het verhief Hij met (vele) stappen in rang.(b) En Wij gaven duidelijke argumenten aan Jezus, zoon van Maria, en sterkten hem met de Heilige Geest. En als het Allāh had behaagd, hadden degenen na hen niet met elkaar gestreden nadat er duidelijke argumenten tot hen waren gekomen, maar zij waren het oneens; dus sommigen van hen geloofden en sommigen van hen ontkenden. En als het Allāh had behaagd, hadden zij niet met elkaar gevochten, maar Allāh doet wat Hij voorheeft.

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

249a. "Het verhaal van Saul wordt hier verward met dat van Dideon" zegt een chritelijke criticus. Het enige dat de Qoer-ān stelt is dat Saul zijn strijdkrachten bij een rivier beproefde en de Bijbel zegt daar niets over. Aan de andere kant spreekt de Bijbel over een beproeving van ongeveer gelijke aard door Gideon (Ri. 7:1–6), terwijl de Qoer-ān Gideon helemaal niet noemt. De Qoer-ān onderneemt geen poging om een volledige en gedetailleerde geschiedenis te geven van de Israëlieten, en geen christen gelooft, volgens mij, dat de Bijbel een volledig en gedetailleerd verslag doet van de hele Israëlitische natie, zodat zij geen enkel voorval kon hebben weggelaten. Noch is het vreemd dat Saul het voorbeeld volgde van Gideon. Dat dit twee verschillende voorvallen waren wordt duidelijk gemaakt door het feit dat terwijl Gideon zijn strijdkrachten testte bij "de bron van Charod" (Ri. 7:1), Saul zijn strijdkrachten beproefde bij een rivier, zoals beschreven in de Qoer-ān. Verder blijkt uit de Bijbel datde rivier de Jordaan daar stroomde: "Ook gingen Hebreeën over de Jordaan naar het land van Gad en Gilead" (1 Sam. 13:7).

249b. Het Arabische woord is Djāloet, van dezelfde grammaticale vorm als Tāloet, en betekent hij viel aan of bestormde in het gevecht (LL), en zo heeft de Heilige Qoer-ān in plaats van Goliaht een naam aangenomen die zijn belangrijke kenmerk uitdrukt.

249c. Vergelijk 1 Sam. 14:6: "want de Here kan evengoed verlossen door weinigen als door velen." En in een geval waren er slechts zeshonderd mannen bij hem achtergebleven (1 Sam. 13:15).

251a. David was zowel een koning als een profeet.

251b. Aldus werd de moeslims verteld dat zij moesten strijden om de orde te herstellen en vrede te brengen over het land.

253a. Het principe dat sommige boodschappers zijn verheven boven andere wordt hier geaccepteerd, en het bevat kennelijk een verwijzing naar de voortreffelijkheid van de Profeet Moehammad (s.a.w.). Dat hier David en Jezus in het bijzonder worden genoemd, is om aan te geven dat, hoewel deze twee profeten twee verschillende aspecten van de vooruitgan van de Israëlitische natie vertegenwoordigen, David voor hun wereldse grootsheid en Jezus voor hun geestelijke grootsheid, zij beiden de lof zongen van de Heilige Profeet Moehammad (s.a.w.), en zij beiden over zijn komst spraken als over de komst van Allāh Zelf. Zo gaven zij aan dat, gezien vanuit beide standpunten, de voorterffelijkheid van de Profeet (s.a.w.) boven andere profeten zo onmetelijk was dat het twee van de meest eminente Israëlitische profeten deed spreken van zijn komst als over de komst van de Heer.

Talloze verzen van de Heilige Qoer-ān getuigen van de grootsheid van de Heilige Profeet (s.a.w.). Er wordt herhaaldelijk van hem gezegd dat hij begiftigd is met alle kwaliteiten van grootsheid in de hoogste graad, die aan anderen slechts gedeeltelijk en in een mindere graad werden gegeven. Om deze reden wordt de Profeet (s.a.w.) verklaard tot een genade voor de naties (21:107), en zijn volgelingen worden de besten onder de mensen genoemd (3:10), wat aantoont dat hij de grootste van de profeten is.

253b. Allāh sprak tot allen, maar er waren sommigen die vele stappen boven de anderen werden verheven. Vergelijk dit met v. 87: "En jullie beschuldigen sommigen (van de profeten) van een leugen, en anderen zouden jullie doden", terwijl degenen die zij probeerden te doden ook leugenaars werden genoemd.

35 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel34) op do sep 20, 2012 7:35 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 34: Dwang in de religie verboden

254 Yaaa-‘ayyuhallaziena ‘aamanoe ‘anfiqoe mimmaa razaqnaakum-min-qabli ‘anyya’-tiya Yawmul-laa bay-‘unfiehi wa laa gullatunw-wa laa sjafaa-‘ah. Wal-kaafiroena humuz-zaalimoen.

254 O jullie die geloven, geef uit van wat Wij jullie gegeven hebben(a) voordat de dag komt waarop er geen onderhandeling is, noch vriendschap, noch bemiddeling. En ongelovigen – zij zijn de kwaaddoeners.

255 Allāh – er is geen god behalve Hij, de Eeuwiglevende, de Op-Zichzelf-Bestaande door Wie alles bestaat. Sluimerovervalt Hem niet noch slaap. Aan Hem behoort alles wat in de hemelen is en alles wat op aarde is. Wie is het die bij Hem kan bemiddelen anders dan met Zijn toestemming?(a) Hij weet wat voor hen is en wat achter hen is. En zij bevatten wat Hem behaagt. Zijn kennis(b) spreidt zich uit over de hemelen en de aarde, en het behoud van beide vermoeit Hem niet. En Hij is de Hoogste, de Grote.(c)

255 ‘Allahu laaa ‘ilaaha ‘illaa Hoe. ‘Al-Hayyul-Qayyoem. Laa ta’-guzuhoe sinatunw-wa laa nawm. La- hoe maa fissamaawaati wa maa fil-‘ard. Man-zallazie yasjfa-‘u ‘indahoe ‘illaa bi-‘idnih? Ya’-lamu maa bayna ‘aydiehim wa maa galfahum. Wa laa yuhietoena bi-sjay-‘im-min ‘ilmihie ‘illaa bimaa sjaaa’. Wa-si-‘a Kursiyyu-hus-Samaawaati wal-‘ard; wa laa ya-‘oeduhoe hifzu-humaa wa Huwal- ‘Aliyyul-‘Aziem.

256 Laaa ‘ikraaha fid-Dien. Qatta-bayyanar-Rusjdu minal-Gayy. Famanyyakfur bit-Taagoeti wa yu’mim-billahi faqadis-tamsak bil-‘urwatil-wusqaa, lan-fisaama lahaa. Wallaahu Samie-‘un ‘Aliem.

256 Er bestaat geen dwang in religie(a) – de juiste weg is waarlijk duidelijk te onderscheiden van dwaling. Dus wie geen geloof hecht aan de duivel(b) en gelooft in Allāh, die houdt zeker vast aan het stevigste handvat, dat nooit zal breken. En Allāh is Horend, Wetend.

257 ‘Allaahu Waliy-yullaziena ‘aamanoe yugridjuhum-minazzulumaati ‘ilan-noer. Wallaziena kafaroe ‘aw-liyaaa-‘u humut-Taagoetu yugridjoenahum-minan-Noeri ‘ilaz-zulumaat. ‘Ulaaa-‘ika ‘As-haabun- Naari hum fiehaa gaalidoen.

257 Allāh is de Vriend van degenen die geloven – Hij brengt ze vanuit het duister in het licht.(a) En degenen die niet geloven hebben de duivels tot vriend, die hen uit het licht halen, het duister binnen. Zij zijn de gezellen van het Vuur; daarin verblijven zij.

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

254a. De voortgang van de strijd om het bestaan tegen de talloze vijanden van de Islām vereiste in de eerste plaats de inzameling van fondsen en andere daden van zelfopoffering; vandaar de herhaaldelijke aanmaningen om uit te geven. Het onderwerp wordt uitgebreid behandeld in de twee paragrafen die volgen op de volgende.

255a. De tweeledige betekenis van bemiddeling is uitgelegd in 48b. Hier wordt het concept erkend dat tussenkomst mogelijk is, mits met Goddelijke toestemming. Het is waar dat de Islām de leer dat de mens een tussenpersoon nodig heeft om hem met Allāh te verzoenen niet erkent en daarom is bemiddeling of tussenkomst in de betekenis van de christelijke leer onbekend bij de Islām. Maar er is nog een andere kant. De Profeet (s.a.w.), aan wie de Goddelijke wil geopenbaard is, is het Voorbeeld voor zijn volk. Hij is volmaakt en door een weg te wijzen stelt hij anderen in staat zich te vervolmaken. In deze betekenis wordt hij een sjafi’ genoemd of een bemiddelaar. Degenen die de Profeet (s.a.w.) tot voorbeeld nemen kunnen zich zo vervolmaken. Niet alle mensen zijn echter gelijk begiftigd, noch hebben zij dezelfde mogelijkheden om een toestand van volmaaktheid te bereiken. Aangezien zij zich wel tot het uiterste inspanne, worden zij door Goddelijke zegen bij de hand genomen en worden zulke tekotkomingen door de bemiddeling van de Profeet (s.a.w.) verbeterd. In deze betekenis erkent de Islām de leer van bemiddeling in het leven na de dood.

255b. Koersi betekent kennis. Ibn Djoebair zei: "Zijn Koersi is Zijn Kennis" (B. 65:ii, 44). Het betekent ook stoel of troon, maar het woord wordt vrijelijk gebruikt in het Arabisch om kennis of wijsheid aan te geven, en een geleerde wordt ahl al-koersi genoemd. Er is een Arabisch gezegde, chair al-nāsi al-karāsi, wat betekent dat de beste mensen de geleerde mensen zijn. Zie verder 7:54b, waar de betekenis van ‘arsj wordt uitgelegd.

255c. Dit is een welbekend vers, dat bekendstaat onder de naam ajat al-koersi, of het vers van de kennis, omdat het over de allesomvattende kennis van Allāh gaat.

256a. Dit vers is een afdoende antwoord op alle nonsens die geuit wordt over de Profeet (s.a.w.), namelijk dat hij de heidense Arabieren als alternatief de Islām of het zwaard zou aanbieden. Zeker van succes, werd de moeslims verteld dat als zij de macht in handen hadden, hun leidraad zou moeten zijn dat er geen dwang zijn wat betreft geloof. De veronderstelling dat deze passage gegeven was aan vroege bekeerlingen en dat het later opgeheven werd is absoluut ongegrond.

256b. Tāghoet komt van taghā, wat hij was onmatig of buitensporig betekent, en het wordt vaak verklaard als "de buitensporige trots of verdorvenheid of ongeloof van de mensen van de Geschriften, of enig hoofd of leider van zonde, of degene die zich afkeert van het goede, of de afgoden, of alles wat buiten Allāh wordt aanbeden, of de duivel" (LL). Daar het woordt duivel vrijelijk wordt gebruikt voor de meeste betekenissen die hierboven van tāghoet worden gegeven, heb ik deze betekenis door de hele vertaling heen aangehouden. Het is echter geen eigennaam, omdat het het bepaald lidwoord al gebruikt. Het wordt hier als meervoud gebruikt, hoewel het de aparte meervoudsvorm tawāghit heeft.

257a. Het geloof wordt hier beschreven als licht en ongeloof als duisternis. Het contrast wordt het beste weergegeven in 24:35–40.

36 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel35) op do sep 20, 2012 7:38 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 35: Hoe dode naties tot leven worden gewekt

258 ‘Alam tara ‘ilal-lazie haaadjdja ‘Ibraa-hiema fie Rabbihie ‘an ‘aataahullaahul-mulk? ‘Iz qaala ‘Ibraa-hiema Rbbiyal-lazie yuhyie wa yumietu qaala ‘ana ‘uhyie wa ‘umiet. Qaala ‘Ibraa-hiema fa-‘in- nallaaha ya’-tie bisj-Sjamsi minal-Masjriqi fa’-ti bihaa minal-Maghribi fa--buhital-lazie kafar. Wallaahu laa yahdil-qawmazzaalimien.

258 Heb jij niet gedacht aan degene die met Abraham redetwistte over zijn Heer, omdat Allāh hem (het) koninkrijk had gegeven?(a) Toen Abraham zei, Mijn Heer is Hij die het leven geeft en doet sterven, zei hij: Ik geef leven en doe sterven.(b) Abraham zei: Waarlijk laat Allāh de zon opkomen in het oosten, laat jij haar dan opkomen in het westen.(c) Dus was degene die niet geloofde verbijsterd. En Allāh leidt de onrechtvaardige mensen niet.

259 ‘Aw kallazie marra ‘alaa qaryatinw-wa hiya gaawiyatun ‘alaa ‘uroe-sjihaa. Qaala ‘annaa yuhyie haazihil-laahu ba’-da mawtihaa? Fa-‘amaatahullaahu mi-‘ata ‘aamin-summa ba-‘asah. Qaala kam la-bist? Qaala la bistu yawman ‘aw ba’-da yawm. Qaala bal-labista mi-‘ata ‘aamin-fan-zur ‘ilaa ta- ‘aamika wa sjaraabika lam yata-sannah. Wan-zur ‘ilaa himaa-rik ! wa li-nadj-‘ala-ka ‘aayatal-linnaasi wan-zur ‘ilal-‘izaami kayfa nun-sjizuhaa summa nak-soehaa lahmaa. Falammaa tabayyana lahoe qaala ‘a’-lamu ‘annallaaha ‘alaa kulli sjay-‘in-Qadier.

259 Of zoals degene die een stad passeerde die vervallen was met haar daken ingestort. Hij zei: Wanneer zal Allāh haar leven geven na haar dood? Dus liet Allāh hem sterven, honderd jaar langs, en wekte hem toen op. Hij zei: Hoelang heb je er vertoefd? Hij zei: Ik ben er een dag geweest, of een deel van een dag. Hij zei: Nee, je hebt er honderd jaar vertoefd; maar kijk naar jouw voedsel en jouw dranken – de jaren zijn er niet aan voorbijgegaan! En kijk naar jouw ezel! En dat Wij jouw tot een teken voor de mensen kunnen maken. En kijk naar de beenderen, hoe Wij ze samenvoegen en ze dan bekleden met vlees. Dus toen het hem duidelijk werd, zei hij: Ik weet dat Allāh de Bezitter van macht over alle dingen is.(a)

260 Wa ‘iz qaala ‘Ibraa-hiemu Rabbi ‘arinie kayfa tuh-yil-mawtaa. Qaala ‘awa lam tu’-min? Qaala balaa wa laakilli-yatma-‘inna qalbie. Qaala faguz-‘arba-‘atam-minat-tayri fasurhunna ‘ilayka summadj- ‘al ‘alaa kulli djabalim-min-hunna djuz-‘an-summad-‘u-hunna ya’-tienaka sa -yaa. Wa’-lam ‘annallaaha ‘Aziezun Hakiem.

260 En toen Abraham zei, Mijn Heer, laat mij zien hoe U leven geeft aan de doden, zei Hij Geloof jij niet? Hij zei: Jawel, maar om mijn hart gerust te stellen. Hij zei: Neem dan vier vogels en tem ze zodat ze tot jou neigen, zet dan op iedere berg een deel van hen, en roep ze dan, ze zullen naar je toe komen vliegen; en weet dat Allāh Machtig is, Wijs.(a)

------------------------------------------------------

DE UITLEG:

258a. De woorden "omdat Allāh hem het koninkrijk had gegeven" wordt door de meerderheid van de commentatoren gezien als een verwijzing naar Abrahams tegenstander wiens naam Nimrod zou zijn (Gen. 10:8, 9). De mening van de minderheid dat het persoonlijk voornaamwoord hem in het hierboven staande citaat verwijst naar Abraham, is echter te prefereren. Het wordt ondersteund door 4:54: "Wij hebben de kinderen van Abraham immers het Boek gegeven en de Wijsheid, en Wij hebben hen een groots koninkrijk gegeven." Zelfs in Genesis wordt van het beloofde land gezegd dat het aan kinderen van Abraham werd gegeven: "Ik ben de Here, die u uit Ur der Chaldeeën hebt geleid om u dit land in bezit te geven" (Gem. 15:7). De woorden ātā-hoe-llāhoe zouden in dit geval Allāh had beloofd het aan hem te geven betekenen.

Er wordt hier aan de moeslims verteld dat, op het moment dat hen de belofte wordt geschonken, zij vanuit de toestand van onbekendheid waarin zij verkeerden, zouden stijgen tot eminente grootsheid, wat gelijk staat aan het tot leven wekken van de doden. Een vergelijkbare belofte werd gegeven aan Abraham, welke in feite de basis vormde voor de huidige belofte aan de Profeet (s.a.w.): zie 124a.

258b. Er wordt hier niet verklaard waaraan het tot leven wekken of het brengen van de dood is gerelateerd, maar daar de discussie voortkwam uit de belofte die gegeven werd aan Abraham dat zijn nakomelingen tot een groot volk zouden worden gemaakt, is het duidelijk dat hier wordt verwezen naar het leven en de dood van alle volkeren. Er moet worden opgemerkt dat de woorden hajāt en maut, letterlijk leven en dood, net zo goed van toepassing zijn op volkeren en plaatsen als op mensen, dieren en planten. Dus betekent mātati-l-ardoe het land werd beroofd van plantengroei en bewoners (LL). Wat hier wordt gezegd wordt later geïllustreerd door het vers dat volgt met de Goddelijke belofte over de wederopbouw van Jeruzalem. In dat vers wordt over de verwoesting van de heilige stad gesproken als haar dood en de wederopbouw wordt haar leven genoemd.

258c. De disputant behoorde tot een volk van zonaanbidders, en toen hij beweerde dat hij leven kon schenken en dood kon veroorzaken, bracht Abraham daarom een argument naar voren wat zijn tegenstander volledig verwarde. Als hij leven kon schenken en dood kon veroorzeken, zou hij zelfs zijn godheid kunnen beheersen, die zou, want het schenken van leven en veroorzaken van dood waren het werk van de godheid en niet van de aanhanger, en dus zou hij haar uit de tegengestelde richting kunnen laten opkomen. De tegenstander was verward, omdat hij inzag dat hij een bewering had gedaan die tegengesteld was aan zijn eigen gezworen geloof.

259a. Er wordt hier een voorbeeld gegeven uit de latere Israëlitische geschiedenis, over hoe dode naties tot leven worden gewekt. Met "de stad die vervallen was met haar daken ingestort" wordt Jeruzalem bedoeld (Rz, AH), zoals zij werd achtergelaten na haar verwoesting door Nebukadnessar in 599 v. Chr.

De woorden "kijk naar de beenderen, hoe Wij ze weer samenvoegen en dan bekleden met vlees", verwijzen zonder twijfel naar Ezechiël visioen in Ezechiël, hoofdstuk 37. Het eerste deel van hoofdstuk 37 verhaalt hoe Ezechiël (in een vision) werd meegenomen "naar het midden van een vallei die vol lag met beenderen", en gevraagd werd, "Mensenkind, kunnen deze beenderen herleven?" Na een Goddelijke geruststelling, was Ezechiël getuige van het tafereel dat hier verhaald wordt met de woorden – Kijk naar de beenderen, hoe Wij ze samenvoegen: "De beenderen voegden zich aaneen, zoals zij bij elkander behoorden", en "er kwamen spieren op en vlees, en er trok een huid overheen", en toen "kwam de geest in hen en zij herleefden"(Ez. 37:1–10). Dat hetgeen wat verteld wordt in Ezechiël, hoofdstuk 37, een visioen is, wordt duidelijk door de inleidende woorden van dat hoofdstuk: "De hand des Heren kwam op mij, en de Here voerde mij in de geest naar buiten." Wat volgt op het incident maakt het nog duidelijker, want vers 11 (Ez. 37) gaat verder met: "Mensenkind, deze beenderen zijn het gehele huis Israëls. Zie, zij zeggen: onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan"; terwijl vers 12 hen de Goddelijke belofte geeft, "Zie, Ik open uw graven en zal u uit uw graven doen opkomen, o mijn volk, en u brengen naar het land Israëls." Dit toont afdoende dat de beenderen alleen een symbool waren voor de vervallen conditie van het gehele huis van Israël. Ik leg de nadruk op het woord gehele in Ezechiël 37:11, omdat de echte beenderen alleen van de zeer weinigen onder hen waren die aan het zwaard waren geregen, terwijl een veel groter aantal gevangen gehouden werd of in slavernij werd gehouden, onderworpen aan de Babuloniërs.

Het identieke vooral waarnaar in v. 259 wordt verwezen is ook een visioen. De Qoer-ān ziet meestal af van woorden die aantonen dat een voorval een visioen is wanneer ofwel de context ofwel de aard van het voorval ofwel een verwijzing naar een eerdere geschiedenis duidelijk maakt dat het een visioen is. Vergelijk de woorden waarmee Jozef zijn visioen vertelde aan zijn vader in 12:4: "O mijn vader, ik zag elf sterren en de zon en de maan – ik zag hen voor mij neerbuigen", waarbij hij geen enkele melding maakte van het feit dat hij dit alles in een visioen had gezien. In het vers dat hier besproken wordt, is het echter niet alleen haar volmaakte gelijkenis met Ezechiël 37:1–10 dat aantoont dat het voorval een visioen is, maar de tussenvoeging van een kāf, wat gelijkenis betekent, in het geheel is een verdere indicatie van het bovenstaande. Als het voorval echt geweest was, zoals in het voorgaande vers, zou het vers moeten beginnen met de woorden of hij in plaats van of zoals degene, waarbij de tussenvoeging van kāf het voorval het uiterlijk van een parabel of visioen geeft.

Het veroorzaken van de honderdjarige dood van de profeet is ook een voorval uit het visioen, wat, hoewel het niet in de Bijbel verhaald wordt, ondersteund wordt door feiten die symbolisch zijn voor de dood van de joodse natie, een schandelijke en treurige dood, of voor de verwoesting van Jeruzalem, die een periode overbrugde van bijna honderd jaar. Jeruzalem werd veroverd door Nebukadnessar in 599 v. Chr. (2 Kon. 24:10; Kores gaf in 537 v. Chr. Toestemming de tempel te herbouwen (Ezra 1:2), en het huis werd uiteindelijk voltooid in 515 v. Chr. (Ezra 6:15). De Bijbel vertelt ons niet de geschiedenis van de periode vanaf 515 v. Chr., en zelfs als we niet mogen aannemen dat de Israëlieten nog eens vijftien jaar nodig hadden om zich opnieuw in Jeruzalem te vestigen en de stad zelf te herbouwen voor eigen bewoning, dekt de periode van 599 tot 515 v. Chr. bijna de gehele zesde eeuw v. Chr., en dus vertegenwoordigt de honderdjarige dood van de profeet in dit visioen de honderdjarige dood van de Israëlitische natie.

De verwijzing naar het eten en drinken van de profeet, dat niet aangtast leek door de jaren, en naar zijn ezel, die nog steeds aan zijn zijde was, bewijst dat de honderdjarige dood die de profeet onderging slechts een visioen was. De vermelding van de beenderen is door sommige commentatoren opgevat als een verwijzing naar de ezel, maar dit is duidelijk een vergissing, want de twee stellingen worden gescheiden door een zin: "En dat Wij jou tot een teken voor de mensen kunnen maken." Er volgt ook een pauze na het woord ezel die hetgeen volgt scheidt van dat wat eraan voorafging.

In welk opzicht was Ezechiël een teken voor de mensheid? Omdat het visioen hem tot een symbool maakte van de hele joodse natie, en zijn symbolische honderdjarige dood de zorgen en kwellingen van Israël over een gelijke periode vertegenwoordige, waarna zij nogmaals tot leven werd gewekt.

Het woord jatasannah (sanah, een jaar) betekent het ding onderging de voorbijgang van jaren. Als het woord wordt toegepast op eten en drinken draagt het eenzelfde betekenis: het veranderde (ten slechts) door het verstrijken van de jaren (LA, LL). Rz verklaart het verstrijken van jaren als de ware betekenis van het woord, want zijn uitleg is de jaren zijn er niet aan voorbij gegaan. Dit toont aan dat er hier eigenlijk geen sprake was van het verstrijken van jaren, en dat het eenvoudigweg een visioen is.

260a. Dit vers is een logisch vervolg op v. 258, wat gaat over de manifestatie van Allāh’s macht inzake het leven en de dood van naties. Vers 259 is, zoals al is opgemerkt, tussenin geplaatst om een bewijs naar voren te brengen voor de uitspraak die in v. 258 wordt gedaan. Volgens Gen. 15:8 zou Abraham, na een belofte omtrent het land van Kanaän ontvangen te hebben, gezegd hebben: "Heer God, hoe zal ik weten dat ik het zal erven?" In de Qoer-ān is de parallel hieraan: "Mijn Heer, laat mij zien hoe U leven geeft aan de doden." Hij geloofde in de Goddelijke belofte, en was er zo zeker van dat hij zelfs een tegenstander met dit punt had bestreden en overwonnen. Maar was het niet vreemd dat uit zijn zaad een natie zou moeten voortkomen die de machtige naties die het land bestuurden zou moeten vervangen? Het teken dat volgens Gen. 15:9–11 aan Abraham werd gegeven is tamelijk betekenisloos, omdat het niet duidelijk maakt hoe Abrahams zaad het land zou moeten ervan. Er wordt hem gezegd "een vaars van drie jaar, een geit van drie jaar en een ram van drie jaar oud, en een tortelduif, en een jonge duif" te nemen; hij "deelde hen doormidden", "En toen de volgels op de karkassen afkwamen, joeg Abraham hen weg." Hoe dit een teken zou zijn van het erven van het land van Kanaän door Abraham is een raadsel. Het toont slechts aan dat er hier met de tekst is geknoeid.

Het antwoord op Abrahams hoe, zoals gegeven in de Qoer-ān is een volkomen begrijpelijke parabel. Als hij vier volgels zou nemen en hen zou temmen, dan zouden ze aan zijn roep gehoorzamen en naar hem toe vliegen zelfs vanuit de verre bergen. Als de vogels aan zijn roep gehoorzamen, terwijl hij noch hun meester noch de auteur van hun bestaan is, zouden volkeren zich dan niet onderwerpen aan hun Goddelijke Meester en de Auteur van hun bestaan? Of als de vogels, die nog maar zo kort geleden getemd waren door een man die verder geen macht over hen had, zo gehoorzaam werden aan hun temmer, zou Allāh dan niet de macht hebben om te heersen over alle oorzaken die het leven en de dood van naties bepalen? Wanneer Hij ean volk wenst te vernietigen brengt Hij redenen voor hun verval tot leven en tegenspoed overvalt hen; en als Hij een volk wil laten gedijen, doet Hij oorzaken ontstaan die resulteren in hun bloei en vooruitgang. Dat het woord tā’ir (hier wordt het meervoud tāir gebruikt), wat een vogel betekent, ook verwijst naar de oorzaak van goed en kwaad, of van ellende of geluk (T, LL), in welke hoedanigheid het woord in 7:131 en elders in de Heilige Qoer-ān gebruikt wordt, is een volgende aanwijzing voor het belang van de parabel van de vogels, waardoor Abraham zich ging realiseren hoe de Almachtige het lot van naties bepaalt. Het is een vergissing om te veronderstellen dat Abraham werkelijk vier vogels nam en hen temde. De Qoer-ān zegt hier niets over. Het is slechts bedoeld om Abraham zich, door middel van een parabel, de geweldige manifestatie van Goddelijke macht te doen realiseren.

De lexicologen zijn het er allemaal over eens dat het woord soer, dat hier wordt gebruikt, de gebiedende wijs is van sāra, wat hij liet hen neigen betekent (LL), en soer-hoenna ilaika betekent amil-hoenna, of maak dat zij gehoorzamen, wa adjmi‘-hoenna, en verzamel hen bij je (LA). Allen in deze betekenis wordt het woord gevolgd door ilā zoals hier. In stukjes snijden is niet de betekenis van deze woorden. Verder kunnen de woorden plaats een deel (djoez‘) van hen alleen een van de vier vogels betekenen. De commentatoren die het verhaal van het in stukjes snijden van vogels introduceren, wat niet terug te voeren is op enige betrouwbare bron, beweren dat de woorden thoemma qatti‘-hoenna (hen vervolgens in stukjes snijden) hier zijn weggelaten na soer hoenna of tem hen, wat direct al absurd is.



37 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel36) op do sep 20, 2012 7:41 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 36: Geld uitgeven voor de zaak van de Waarheid

261 Masalul-laziena yunfiqoena ‘amwaalahum fie Sabielillaahi Kamassali habbatin ‘ambatat sab-‘asa- naabila fie kulli sumbulatim-mi-‘atu habbah. Wallaahu yuzaa-‘ifu limany-yasaaa’. Wallaahu Waasi-‘un ‘Aliem.

261 De parabel van degenen die hun rijkdom uitgeven langs Allāh’s weg(a) is als de parabel van een graankorrel waaruit zeven aren groeien, in iedere aar honderd graankorrels. En Allāh verveelvuldigt (verder) voor wie Hem behaagt. En Allāh is Ruimgevend, Wetend.(b)

262 ‘Al-laziena yunfiqoena ‘amwaalahum fie Sabielillaahi summa laa yutbi-‘oena maaa ‘anfaqoe man-nanw-wa laaa ‘azal-lahum ‘adjruhum ‘inda Rabbihim wa laa gaw-fun ‘alayhim wa laa hum yahzanoen.

262 degenen die hun rijkdom uitgeven langs Allāh’s weg, en die geen verwijt of krenging laten volgen op wat zij hebben uitgegeven, hun beloning is bij hun Heer, en zij zullen geen vrees hebben, noch zullen zij treuren.(a)

263 Qawlum-ma’-roefunw-wa maghfiratun gayrum-min-sadaqatiny-yatba-‘uhaaa ‘azaa. Wallaahu Ghaniy-yun Haliem.

263 Een vriendelijk woord vol vergeving is beter dan liefdadigheid gevolgd door krenking. En Allāh is Zelfgenoegzaam, Verdraagzaam.

264 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe laa tub-tiloe sadaqaatikum-bil-manni wal-‘azaa kallazie yunfiqu maalahoe ri-‘aaa-‘annaasi wa laa yu’-minu billaahi wal-Yawmil-‘Agir. Famasaluhoe kamasali saf-waanin ‘alayhi toeraabun-fa-‘asaabahoe waabilun-fatarakahoe saldaa. Laa yaqdiroena ‘alaa sjay-‘immimmaa kasaboe. Wallaahu laa yahdil-qawmal-kaafirien.

264 O, jullie die geloven, maak jullie liefdadigheid niet waardeloos door verwijt of krenking, zoals degene die zijn rijkdom uitgeeft om door de mensen gezien te worden en niet gelooft in Allāh en de Laatste Dag.(a) Dus is zijn parabel als de parabel van een gladde rots met aarde erop, dan valt er zware regen op, en hij laat hem kaal! Zij zijn niet in staat om iets te winnen uit wat zij verdienen. En Allāh leidt de ongelovige mensen niet.(b)

265 Wa masalul-lzaiena yunfiqoena ‘am-waalahu-mubtighaaa-‘a marzaatillaahi wa tasbietam-min ‘anfusihim kamassali yannaatim-bi-rabwatin ‘asaabahaa waabilun-fa-‘aatat ‘ukulahaa zi’-fayn. Fa-‘il-lam yusib-haa waabilun-fatall. Wallaahu bimaa ta’-maloena Basier.

265 En de parabel van degenen die hun rijkdom uitgeven om Allāh te behagen en om hun zielen te sterken, is als de parabel van een tuin op verhoogde grond waarop zware regen valt, zodat hij tweemaal zoveel vruchten voortbrengt; en als er geenzware regen op valt dan (is) een lichte regen (voldoende). En Allāh is Degene Die ziet wat jullie doen.(a)

266 ‘A-yawaddu ‘a-badukum ‘an-takoena lahoe yannatummin-nagielinw-wa ‘a’-naabintadjrie min-tahtihal-‘anhaaru lahoe fiehaa min-kullis-samaraati wa ‘asaabahul-kibaru wa lahoe zurriy-yatun-zu-‘afaaa-‘u fa-‘asaabahaaa ‘i’–saarun-fiehi naarun-fahtaraqat? Kazaalika yubayyi-nullaahu lakumul-‘aayaati la-‘allakum tata-fakkaroen.

266 Wil een van jullie een tuin hebben met palmen en wijnranken, waar beekjes doorheen stromen – hij heeft daarin allerlei soorten vruchten – en ouderdom heeft hem achterhaald en hij heeft een zwak nageslacht; wanneer (zie!) deze getroffen wordt door een wervelwind met vuur erin, en zo vernield wordt. Zo maakt Allāh de boodschap aan jullie duidelijk, opdat jullie zullen overdenken.(a)

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

261a. Het belangrijkste doel van deze paragraaf en de volgende, die beide de gelovigen aansporen om geld uit te geven, is de bevordering van de zaak van de Islām, hoewel ook andere liefdadigheidsdoelen zijn inbegrepen. De belangrijkste betekenis van de woorden fi sabil Allāh (langs Allāh’s weg) is de zaak van het Geloof of de zaak van de Waarheid. Dit wordt duidelijk gemaakt in 9:60, waar fi sabil Allāh genoemd wordt als een categorie van uitgaven, in aanvulling op het helpen van de behoeftigen, enz.

261b. De vergelijking van het geld dat wordt uitgegeven voor de zaak van de Waarheid met een graankorrel die een veelvoud aan graan oplevert, dient om het volgende aan te geven: ten eerste dat de vooruitgang van de Islām afhing van de opofferingen die de individuele leden van de gemeenschap zich getroostten, en ten tweede dat de uitgave van geld vergezeld moest gaan van harde arbeid, zoals een zaadje dat op de grond is gegooid niet kan groeien zonder begeleidende arbeid. Het is opmerkelijk dat, terwijl de Qoer-ān de groei weergeeft als zevenhonderdvoudig en zelfs meervouden daarvan, Jezus in een vergelijkbare parabel – de parabel van de zaaier – een dertig-, zestig- of honderdvoudige groei belooft (Matt. 13:23: Mar. 4:8).

262a. 'Mann' is oorspronkelijk het verlenen van een voordeel of een gunst aan iemand (LL), en wordt als zodanig vaak gebruikt in de Heilige Qoer-ān. Het kent ook een tweede betekenis, namelijk het uitdrukking geven aan het goede dat aan iemand gedaan is (Rz), of, iemand herinneren aan de gunst verleend door middel van verwijt, en dat is hier de betekenis. Adzā betekent schade of irritatie, door kwaad te spreken van iemand of door licht letsel te veroorzaken. Giften, of ze nu in het nationaal of individueel belang worden geofferd, mogen niet worden vergezeld van enig zelfbelang en vandaar dat het de gever verboden is hen achteraf nog te noemen.

264a. Deze uitdrukking geeft blijk van een zeer sterke afkeur van het geven van aalmoezen om door mensen gezien te worden. Zij verbiedt niet simpelweg het geven van aalmoezen "in het zicht van mensen om door hen gezien te worden" (matt. 6:1), maar ze spreekt hiervan als het werk van degenen "die niet geloven in Allāh en de Laatste Dag", waarmee ongelovigen worden bedoeld en dit maakt het zo volkomen verachtelijk vanuit het gezichtspunt van de ware gelovigen.

264b. De slotwoorden van de parabel tonen aan dat hier de pogingen van de ongelovigen worden bedoeld, om een doodklap uit te delen aan de Islām. Zij gaven hun geld uit om de vooruitgang van de Islām te vertragen, maar hun pogingen, zo werd hen verteld, zouden vruchteloos zijn; vergelijk 8:36. De woorden zij zijn niet in staat om iets te winnen uit wat zij verdienen laten geen twijfel bestaan over hun strekking.

265a. Dit is de parabel van de gelovigen die de vruchten zullen plukken van de opofferingen die zij zich getroosten. Van hen wordt gezegd dat zij uitgeven om Allāh te behagen, omdat al hun inspanningen ertoe dienden de waarheid hoog te houden en hun zielen te sterken. Elke daad van zelfopoffering was het gevolg van hun zekerheid omtrent de uiteindelijke overwinning van de Waarheid, wat hen vervolgens de kracht gaf om zich nog grotere opofferingen te getroosten. Het woord tall betekent lichte regenval, of dauw.

266a. Met grote opofferingen gedurende de dertien jaar in Makkah, hadden de moeslims een gemeenschap opgebouwd die de boodschap van de Waarheid over kon brengen aan de wereld. Maar nu zij onderdak hadden gevonden in Madinah en goede vooruitgang boekten, werden ze aangevallen door een vijand die zich richtte op hun volledige vernietiging. De moeslims werden daarom nu gevraagd om zich nog grotere opofferingen te getroosten om zo de tuin van de Islām te redden van verdorring, en om al hun kracht in de strijd te werpen, hun leven zowel als hun rijkdommen.

38 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel37) op do sep 20, 2012 7:45 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 37: Uitgeven voor de zaak van de Waarheid Deel 2

267 Yaaa-‘ayyu-hallaziena ‘aamanoe ‘anfiqoe min-tayyibaati maa kasabtum wa mimmaaa ‘agradj-naa lakum-minal-‘ard. Wa laa ta-yamma-mul-gabiesa minhu tunfiqoena wa lastum-bi-‘aagiziehi ‘illaaa ‘an tugh-midoe fieh. Wa’-lamoe ‘annallaaha Ghaniy-yun Hamied.

267 O jullie die geloven, geef uit de goede dingen die jullie verdienen, en uit hetgeen Wij voor jullie voortbrengen uit de aarde, en tracht niet uit het slechte te geven, terwijl jullie dit zelf niet zouden nemen tenzij jullie het oogluikend toestaan. En weet dat Allāh Zelfgenoegzaam is, Prijzenswaardig.(a)

268 ‘Asj–Sjay-taanu ya-‘idukumul-faqra wa ya’-murukumbil-fahsjaaa’. Wallaahu ya-‘idukum-maghfi- ratam-minhu wa fazlaa. Wallaahu Waasi-‘un ‘Aliem.

268 De duivel dreigt jullie met armoede en beveelt jullie om gierig te zijn,(a) en Allāh belooft jullie vergeving van Hemzelf en overvloed. En Allāh is Ruimgevend, Wetend:

269 Yu’-til - Hikmata many-yasajaa’: wa many-yu’-tal-Hikmata faqad ‘oetiya gayrankasieraa. Wa maa yaz-zakkaru ‘illaaa ‘ulul-‘albaab.

269 Hij schenkt wijsheid aan wie het Hem behaagt. En degene die wijsheid geschonken krijgt, wordt waarlijk een groot goed gegeven. En niemand neemt het in acht, behalve mensen met verstand.

270 Wa maaa ‘anfaqtum-minnafaqatin ‘aw nazartum-minnazrin-fa ‘innallaaha ya’-lamuh. Wa maa liz-zaalimiena min ‘ansaar.

270 En welke almoezen jullie ook geven, of (welke) eed jullie ook zweren, Allāh is er waarlijk van op de hoogte. En de kwaaddoeners zullen geen helpers hebben.

271 ‘In-tubdus-Sadaqati fanie-‘immaa hie wa ‘in-tugfoehaa wa tu’-toehal-fuqaraaa-‘a fa-huwa gayrul-lakum: wa yukaffiru ‘ankum-min-sayyi-‘aatikum. Wallaahu bimaa ta’-maloena Gabier.

271 Hoe voortreffelijk is het, wanneer jullie openlijk liefdadig zijn! En wanneer jullie het verbergen en aan de armen geven is dit goed voor jullie.(a) En het zal een deel van jullie slechte daden opheffen; en Allāh is Zich Bewust van wat jullie doen.

272 Laysa ‘alayka hudaahum wa laa-kinnallaaha yahdie many-yasjaaa’. Wa maa tunfieqoe min gayrin-fali-‘anfusikum: wa maa tunfiqoena ‘illabtighaaa-‘a Wadjhillaah. Wa maa tunfiqoe min gayriny-yuwaffa ‘ilaykum wa ‘antum laa tuzlamoen.

272 Hun leiding is niet jouw plicht, maar Allāh leidt wie Hem behaagt. En welk goed ding jullie ook uitgeven, het komt jullie ten goede. En jullie geven slechts uit om Allāh te behagen. En welk goed ding jullie ook uitgeven, het zal jullie volledig worden terugbetaald, en jullie zal geen onrecht worden aangedaan.(a)

273 Lil-fuqaraaa-‘illaziena ‘uhsiroe fie Sabie-lillaahi laa yastatie-‘oena zarban-fil-‘ardi yahsa- buhumul -djaahilu ‘aghniyaaa-‘a minat-ta-‘affuf. Ta’-rifuhumbi-sieman-hum laa yas-‘aloena-nannaasa ‘il-haafaa. Wa maa tunfiqoe min gay-rinfa-‘innalaaha bihie ‘Aliem.

273 (Liefdadigheid) is voor de armen die worden beperkt langs Allāh’s weg,(a)zij kunnen niet rondtrekken in het land;(b) de ontwetende denkt dat zij rijk zijn, omdat zij zich onthouden (van bedelen). Je kunt ze herkennen aan hun teken – zij bedelen niet op opdringerige wijze van mensen.(c) En welke goed ding jullie ook uitgeven. Allāh is er waarlijk de Weter van.

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

267a. De moeslims worden hier geboden de zaak van de Waarheid te steunen door goede dingen te geven, dingen waarvan ze houden en niet eens te denken aan het geven van slechte dingen, dingen die zij zelf niet zouden aannemen van anderen. Ergens anders wordt gezegd: "Jullie zullen geen rechtschapenheid bereiken, tenzij jullie uitgeven van wat jullie liefhebben" (3:92).

Er wordt hun zo verteld dat halfhartige steun noch de zaak zelf, noch de ondersteuner van de zaak enig goed doet. Het is noodzakelijk dat zij zichzelf tot het uiterste inspannen en de zaak met hun hele hart steunen.

268a. Fahsjā’ betekent hier gierigheid of vasthoudendheid, wat gelijk is aan boechl (LL).

271a. De manifestatie van liefdadigheid of het openlijk schenken van aalmoezen is volkomen verschillend van geven "om door mensen gezien te worden", zie daarvoor v. 264. Met het openlijk schenken van liefdadigheid wordt verwezen naar het schenken van bijdragen voor gemeenschappelijk nut of voor de nationale verdediging, of naar schenkingen voor de bevordering van de nationale of publieke welvaart. De leer van de Evangeliën (Matt. 6:1–4) legt alle nadruk op de persoonlijke daden van liefdadigheid, en maakt geen enkele melding van bijdragen voor gemeenschappelijk nut en voor georganiseerde inspanningen om de armen te helpen, zonder welke natinale groei onmogelijk is. De hier beschreven regel neemt de verschillende omstandigheden van de menselijke gemeenschap in overweging en gebiedt zowel openbare als persoonlijke liefdadigheidsdoelen, en noemt daarbij openbare liefdadigheid als eerste, omdat die van groter belang is.

272a. De openingswoorden van het vers vestigen de aandacht op de specifieke problemen van de moeslimgemeenschap, die gedwongen werd weerstand te bieden aan haar vijanden in het belang van haar bestaan. Het vers geeft aan dat de moeslims niet streden om de ongelovigen in te lijven in de Islām, want dat, zo wordt de Profeet (s.a.w.) in duidelijke woorden verteld, was niet zijn verantwoordelijkheid. Het was voor het welzijn van hun mensen, de verdediging van de moeslimgemeenschap, dat van de moeslims geest werd dat ze bijdragen inzamelden. Zo was zij uitgaven voor Allāh’s behagen, omdat het de zaak van de waarheid betrof. In de slotwoorden wordt hun verzekerd dat zij voor deze opofferingsgezindheid ten volste beloond zullen worden.

Wat betreft persoonlijke liefdadigheid tonen de verslagen die in verband met dit vers worden vermeld aan, dat de liefdadigheid van de moeslims niet slechts het welzijn van hun eigen geloofsgenoten betrof, maar ook dat van de ongelovigen. De Islām staat niet toe dat het verschil in geloof een belemmering vormt voor liefdadigheid aan een persoon die het verdient.

273a. Het eerste kenmerk van degenen die persoonlijke liefdadigheid verdienen, is dat zij worden beperkt langs Allāh’s weg. Hier worden de volgende groepen toegerekend: (1) degenen die moesten strijden om de Islām te verdedigen, maar die niet konden voorzien in hun levensonderhoud; (2) degenen die niet eropuit konden trekken om te handelen vanwege de onveiligheid van de wegen en de voortdurende aanvallen door de vijand; (3) degenen die gewond waren geraakt in de strijd (Rz).

273b. Palmer heeft een fout gemaakt bij het vertalen van darb-an fi-l-ard als "rondzwerven door het land". De ongelukkige gelijkenis die hij ontdekte tussen de alledaagse Engelse zinsnede ‘knock about" wat "rondslenteren op een ruige, zorgeloze en doelloze manier" betekent, en een van de betekenissen van het Arabische woord darb, te weten slaan, treffen of raken doet hem de conclusie trekken dat de “taal van de Qoer-ān werkelijk grof en onbeschaafd is”. Hij zou dichter bij de waarheid zijn geweest wanneer hij de Engelse zinsnede “beating the land” had gebruikt. De zinsnede die hier wordt gebruikt betekent in feite hij trekt door het land, op zoek naar onderhoud en om zaken te doen (LL).

273c. Hier zien we andere kenmerken van degenen die het verdienen te worden geholpen door persoonlijke liefdadigheid; dit zijn de mensen die zich ervan weerhouden te bedelen. Dit zou aangeven dat de Heilige Qoer-ān de gewoonte van bedelen van deur tot deur niet goedkeurt.

39 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel38) op do sep 20, 2012 7:51 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 38: Woeker (rente) is verboden

274 ‘Allaziena yunfiqoena ‘amwaalahum-bil-layli wan-nahaari sirranw-wa ‘alaa niyatan falahum ‘adjru- hum ‘inda Rabbihim : wa laa gawfun ‘alayhim wa laa hum yah-zanoen.

274 Degenen die in de nacht en de dag hun rijkdom uitgeven, verborgen en openlijk, hun beloning ligt bij hun Heer; en zij hebben geen vrees noch zullen zij treuren.(a)

275 ‘Allaziena ya’-kuloenar-Ribaa laa yaqoemoena ‘illaa kamaa yaqoe-mullazie yatagab-batuhusj- Sjay-taanu minal-mass. Zaalika bi-‘annahum qaaloe ‘innamal-Bay-‘u mis-’lur-Ribaa. Wa ‘ahallal-laa- hul-Bay-‘a wa harramar-Ribaa. Faman-djaaa ‘ahoe maw-‘izatum-mir-Rabbihie fantahaa falahoe maa salaf: wa ‘amruhoe ‘ilallaah. Wa man ‘aada fa-‘ulaaa-‘ika ‘As-haabun-Naar: hum fiehaa gaalidoen.

275 Degenen die woeker verteren kunnen niet verrijzen, behalve zoals degene verrijst die is neergeslagen door de aanraking van de duivel.(a) Dat is omdat zij zeggen, Handel is slechts als woeker. En Allāh heeft handel toegestaan en woeker verboden.(b) Tot wie ook dan de vermaning van zijn Heer is gekomen en hij houdt ermee op, hij mag hebben wat reeds voorbij is gegaan.(c) En zijn zaak ligt in de handen van Allāh. En wie (ertoe) terugkeert – dit zijn de gezellen van het Vuur: daarin zullen zij verblijven.

276 Yamha-qullaa-hur-Ribaa wa yur-bis-Sadaqaat. Wallaahu laa yuhibbu kulla kaffaarin ‘asiem.

276 Allāh zal woeker uitroeien, en Hij laat liefdadigheid gedijen. En Allāh houdt van geen enkele ondankbare zondaar.(a)

277 ‘Innal-laziena ‘aamanoe wa ‘amilus-saaliehaati wa ‘aqaamus-Salaata wa ‘aata-wuz-Zakaata lahum ‘adjruhum ‘inda Rabbihim: wa laa gawfun ‘alayhim wa laa hum yahzanoen.

277 Degenen die geloven en goede daden doen en het gebed onderhouden en de armenbelasting betalen – hun beloning is bij hun Heer; en zij hebben geen vrees, noch zullen zij treuren.

278 Yaaa-‘ayyuhallaziena ‘aamanut-taqullaaha wa zaroe maa baqiya minar-Ribaaa ‘inkuntum–Mu’-minien.

278 O jullie die geloven, voldoe jullie plicht aan Allāh en doe afstand van wat nog openstaat aan woeker, als jullie gelovigen zijn.(a)

279 Fa-‘illam taf-‘aloe fa’-zanoe bi-harbim-minallaahi wa Rasoelih: wa ‘in-tubtum falakum ru-‘oesu ‘amwaalikum : laa tazlimoena wa laa tuzlamoen.

279 Maar doen jullie (dit) niet, wees dan verzekerd van oorlog van Allāh en Zijn boodschapper;(a) en wanneer jullie spijt betonen, zullen jullie over je kapitaal beschikken. Doe geen onrecht en jullie zal geen onrecht worden aangedaan.(b)

280 Wa ‘in-kaana zoe-‘us-ratin fa-nazi-ratun ‘ilaa maysarah. Wa ‘an-tasaddaqoe gayrul-lakum ‘in-kuntum ta’-lamoen.

280 En wanneer (de schuldenaar) het krap heeft, laat er dan uitstel zijn totdat (hij het) makkelijker (heeft). En dat jullie kwijtschelden als aalmoes is beter voor jullie, wisten jullie dat maar.(a)

281 Wattaqoe Yawmanturdja-‘oena fiehi ‘illalaah. Summa tuwaffaa kullu nafsimmaa kasabat wa hum laa yuzlamoen.

281 En hoed jullie voor de dag dat jullie zullen terugkeren tot Allāh. Dan zal iedere ziel volledig krijgen uitbetaald wat zij heeft verdiend, en hen zal geen onrecht worden aangedaan.

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

274a. Het is een profetische geruststelling voor de moeslims te weten dat, wanneer zij zich opofferingen getroostten voor het nationale welzijn, de angst voor vernietiging waarmee de moeslimgemeenschap toen leefde, zou worden opgeheven. Zij zouden niet rouwen om wat zij uitgaven, omdat het overvloedig vruchten zou afwerpen. Dit is, in feite, een voorspelling van hun uiteindelijke zege over hun vijanden, want de partij die overwint in een strijd treurt niet om de opofferingen die zij maakt, terwijl de verslagen partij dat wel doet.

275a. Ribā (letterlijk rente, ofwel, een overschot of vermeerdering) betekent een vermeerdering van de hoofdsom die geleend is (R, T, LL), en omvat zowel woeker als rente. Het is toepasselijk dat het onderwerp hier wordt aangesneden, want waar liefdadigheid de brede basis is voor menselijk medeleven, doet woeker alle gevoelens van medeleven teniet en leidt het tot enorme vrekkigheid. Zo is het onderwerp woeker vanuit het ene gezichtspunt tegengesteld aan liefdadigheid, terwijl het vanuit het andere gezichtspunt de verbinding tussen beide onderwerpen is. Zoals is uigelegd in de twee voorgaande paragrafen en in het vers waarmee deze paragraaf opent, werd de moeslims grote rijkdom en voorspoed beloofd. Zij werden echter ook gewaarschuwd tegen een buitensporige hang naar zich opstapelende rijkdom, waartoe woeker hen zeker zou hebben geleid. Vandaar dat degenen die woeker verteren vergeleken worden met degenen die zijn neergeslagen door de aanraking van de duivel, die in dit geval staat voor Mammon. Het verbod op woeker in de Islām is een zeer breed onderwerp, en kan niet binnen de grenzen van een voetnoot behandeld worden. Terloops kan echter worden opgemerkt dat de Islām in alle gevallen de gulden middenweg kiest. Hij leunt niet naar het uiterste van het socialistische idee dat streeft naar het opheffen van al het onderscheid in bezitsrecht, maar hij stelt wel regels op die de armen recht geven op een zeker deel van de rijkdom in het bezit van de rijkere leden van de gemeenschap. Zo’n regel is die van zakāt, volgens welke jaarlijks eenveertigste van de vergaarde rijkdom van elk lid van de gemeenschap wordt verdeeld onder de armen. Vandaar dat zakāt apart besproken wordt in verband met dit onderwerp in v. 277. In volmaakte overeenstemming met die regel, staat de Islām de rijken niet toe steeds rijker te worden dor de armen in een steeds grotere armoede te laten vervallen, wat het werkelijke doel is van woeker. Woeker bevordert bovendien luiheid. Het heeft echter het meest negatieve effect op de moraal, daar het de mens obsedeert met een voorliefde voor rijkdom en egoïsme. In feite is dit wat er bedoeld wordt met het neerslaan van een woekeraar door de duivel.

In dit verband kan ook worden opgemerkt dat terwijl de Islām opofferingsgezindheid gebiedt om de strijd om het nationale bestaan voort te zetten, hij tegelijkertijd aan woeker gerelateerde handelingen verbiedt die aan de basis liggen van moderne oorlogvoering. Alle oorlogen worden nu met behulp van leningen gevoerd, waarvan de rente uiteindelijk een bron van vernietiging wordt voor zowel de overwinnaars als de overwonnenen. Een rechtvaardige oorlog, een oorlog uit zelfverdediging, zal in een gemeenschap altijd tot opofferingsgezindheid leiden omdat ze hier voor hun eigen bestwil toe worden gemaand. Een agressieve oorlog daarentegen, kan alleen voortgezet worden met behulp van zware leningen waarvan de druk op dat moment nog niet gevoeld wordt, maar die uiteindelijk de gemeenschap zal verpletteren.

275b. De Qoer-ān maakt onderscheid tussen handel en woeker. In de handel neemt de kapitalist het risico van verlies tezamen met de hoop op winst, maar bij het lenen van geld op woekerbasis wordt het gehele verlies geleden door de man die zijn arbeid gebruikt, terwijl de kapitalist op zijn winst kan rekenen zelfs wanneer er in werkelijkheid verlies wordt geleden. Vandaar dat er een groot verschil is tussen handel en woeker. Er kan worden toegevoegd dat in de grote strijd tussen kapitaal en arbeid, de Islām de zijde van de arbeid kiest. Als de arbeid geen winst brengt, zou de kapitalist met de arbeiders mee moeten lijden.

275c. Hier is een verbod om enige rente te ontvangen over geleend geld, maar als iemand al daadwerkelijk rente had ontvangen voordat het verbod van kracht werd, hoefde hij het niet terug te betalen.

276a. Mahaqa betekent, hij verwijderde de zegen ervan of deed hem afnemen (R). Het betekent ook het uitwissen of vernietigen van iets. Woekeren wordt hier veroordeeld, terwijl liefdadigheid wordt aanbevolen als de bron van de voorspoed van een natie of de mensheid in het algemeen. Het is een profetische verwijzing naar de algemene tendens in de ontwikkeling van de beschaving naar een vermindering van rentetarieven, zo zeer dat woeker, in de ware zijn van het woord, bijna uitgestorven raakt terwijl de tendens naar openbare liefdadigheid of persoonlijke opoffering in het belang van de gemeenschap, of zelfs de mensheid in het algemeen, dagelijks aan grond wint.

278a. Het saldo aan rente dat verschuldigd was op het moment dat het verbod werd uitgevaardigd, moest worden opgegeven.

279a. Direct tegen de geboden van Allāh ingaan wordt hier omschreven als een oorlog tegen Allāh en Zijn Boodschapper. Het geld dat ontvangen wordt als bankrente mag worden uitgegeven aan de zaak van Allāh en Zijn Boodschapper of aan de verbreiding van de Islām, en zo wordt het van een oorlog tegen Allāh en Zijn Boodschapper omgezet in een oorlog voor Allāh en Zijn Boodschapper. In feite wordt de Goddelijke doelstelling van een verbod op rente bereikt, wanneer de rente wordt omgezet in liefdadigheid.

279b. De betekenis is dat de schuldenaar niet meer hoeft te betalen dan de geleende som.

280a. Dit duidt op het soort sympathie dat de Islām vereist. De arme mag niet worden vervolgd en in de gevangenis worden gegooid, en de betaling van schuld moet worden uitgesteld tot de schuldenaar instaat is te betalen, of, nog beter, het geheel zou als liefdadigheid kunnen worden kwijtgescholden.

40 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel39) op do sep 20, 2012 7:53 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 39: Contracten en bewijs

282 Yaaa-‘ayyuhallaziena ‘aamanoe ‘izaa tadaa-yantum-bidaynin ‘ilaaa ‘adjalim-musamman-faktu-boeh. Wal-yaktubbaynakum kaatibum-bil-‘adl. Wa laa ya’-ba kaatibun ‘any-yaktuba kamaa ‘allama-hullaahu fal-yaktub. Wa-yumli-lillazie ‘alayhil–haqqu wal-yattaqillaaha Rabbahoe wa laa yabgaa min- hu sjay-‘aa. Fa-‘inkaanallazie ‘alayhil-haqqu safiehan ‘aw za-‘iefan ‘aw laa yastatie-‘u any-yumilla huwa faljumlil waliyyuhoe bil-‘adl. Wastasj-hidoe sjahie-dayni mir-ridjaalikum: fa-‘illam yakoenaa radjulayni fa-radjulunw-wamra-‘ataani mimman-tarzawna minasj-sjuhadaaa-‘i ‘antazilla ‘ih-daahumaa fatuzakkira ‘ih-daahumal-‘ugraa. Wa laa ya’-basj-sjuhadaaa-‘u ‘izaa maa du-‘oe. Wa laa tas-‘amoe ‘an taktuboehu saghiran ‘aw kabieran ‘ilaaa ‘adjalih. Zaalikum ‘aqsatu ‘indallaahi wa ‘aqwamu lisj-sjahaa- dati wa ‘adnaaa ‘allaa tartaaboe ‘illaaa ‘an-takoena tidjaaratan haaziratan tudieroenahaa baynakum fa-laysa ‘alaykum djunaahun ‘allaa taktuboehaa. Wa ‘asj-hidoe ‘izaa tabaaya’-tum. Wa laa yuzaaarra kaatibunw-wa laa sjahied. Wa ‘in-taf-aloe fa-‘innahoe fusoequm-bikum. Wattaqullaah; wa-yu-’allimu- kumullaah. Wallaahu bi-kulli sjay-‘in ‘Aliem.

282 O jullie die geloven, wanneer jullie een schuld aangaan voor een bepaalde tijd, schrijf dit op.(a) En laat een schrijver het voor jullie op eerlijke wijze opschrijven; ook mag de schrijver niet weigeren te schrijven zoals Allāh het hem heeft geleerd, dus laat hem schrijven. En laat degenen die de schuld heeft dicteren, en hij moet zijn plicht aan Allāh, zijn Heer, voldoen, en er niets op in mindering brengen. Maar als degene die de schuld heeft langzaam van begrip is, of zwak is, of (als) hij niet in staat is zelf te dicteren, laat dan zijn zaakwaarnemer in alle eerlijkheid dicteren.(b) En roep twee getuigen op uit het midden van jullie mannen om te getuigen; maar als er geen twee mannen zijn, (roep) dan één man en twee vrouwen (op)(c) uit het midden van degenen die jullie als getuigen kiezen, zodat, wanneer een van de twee zich vergist, de een de ander kan herinneren.(d) En de getuigen mogen niet weigeren wanneer zij worden opgeroepen. En sta er niet afwijzend tegenover het op te schrijven, of het nu weinig is of veel, en ook haar vervaltermijn. Dit is rechtmatiger in de ogen van Allāh en maakt bewijsvoering zekerder en het is de beste manier om twijfel uit de weg te gaan. Maar wanneer het kant en klare handelswaar is die jullie geven en nemen en tussen jullie van hand tot hand laten gaan, dan treft jullie geen blaam wanneer het niet wordt opgeschreven. En zorg voor getuigen wanneer jullie onder elkaar verkopen. En zorg ervoor dat de schrijver of de getuigen geen nadeel ondervindt.(e) En als jullie (dit) doen is het waarlijk een overtreding aan jullie kant. En voldoe jullie plicht aan Allāh leert jullie. En Allāh is de Weter van alle dingen.

283 Wa ‘in-kuntum ‘alaa safarinw-wa lam tadji-doe kaatiban fari-haanum-maqboezah. Fa-‘in ‘a-mina ba’-zukum ba’-zan-fal-yu-‘addillazi-tumina ‘amaanatahoe wal-yatta-qillaaha Rabbah. Wa laa taktu- musj-sjahaadah; wa many-yaktumhaa fa-‘innahoe ‘aa-simun-qalbuh. Wallaahu bimaa ta’-maloena ‘Aliem.

283 En wanneer jullie op reis zijn en geen schrijver kunnen vinden, mag er een waarborg in bezit worden genomen.(a) Maar wanneer de een van jullie de ander vertrouwt, dan moet degene die vertrouwd wordt het vertrouwen waarmaken, en laat hem zijn plicht aan Allāh, zijn Heer, voldoen. En houd geen getuigenis achter. En wie het achterhoudt, heeft waarlijk een zondig hart. En Allāh is de Weter van wat jullie doen.

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

282a. Het onderwerp woekeren, dat verboden is met het lenen en uitlenen van geld en met handel in het algemeen, brengt ons bij het onderwerp contachten. Als de Islām liefdadigheid gebiedt en woekeren verbiedt, vereist hij op hetzelfde moment dat de grootste voorzorgsmaatregelen worden genomen om de eigendomsrechten te beschermen. Een opmerkelijk feit hierbij is dat de Arabieren een redelijk onwetend volk vormden, onder wie het schrift bijzonder zeldzaam was. Ook toen al werd van hen vereist dat zij alle transacties, groot of klein, vastlegden in schrift, behalve onderhandse zaken.

282b. Deze woorden vormen de basis van de wetgeving betreffende voogdij en zaakwaarneming, omdat zij aangeven wanneer een zaakwaarnemer aangesteld moet worden voor iemand die niet en staat is zijn eigen bezit te beheren. Het woord dat ik met zwak heb vertaald, betekent eigenlijk een te jong iemand (nl. een minderjarige) of een te oud iemand (Bd). Er kan dus niet alleen een zaakwaarnemer worden aangesteld als de eigenaar een minderjarige is, maar ook wanneer hij niet goed meer bij zijn verstand is vanwege zijn leeftijd of vanwege andere redenen.

282c. Omdat vrouwen niet veel zaken deden, en daarom niet in staat waren om de transactie te begrijpen, zijn er twee vrouwen nodig in plaats van één man.

De Qoer-ān zegt niet dat geen enkele zaak beslist mag worden zonder de getuigenis van twee getuigen, maar vereist normaal gesproken het oproepen van twee getuigen op het moment van de transactie, zodat de ontoereikendheid van de een door de ander kan worden rechtgetrokken. Zaken kunnen ook worden besloten op grond van indirect bewijs, wat soms sterker is dan getuigenbewijs. De Heilige Qoer-ān spreekt zelf over Jozelfs onschuld die bewezen werd door indirect bewijs (12:26, 27).

282e. Het moet voorkomen worden dat zij verliezen lijden in hun eigen bedrijf. Met andere woorden, hun voordeel moet in het oog gehouden worden, en ze moeten betaald worden.

283a. Dit betekent niet dat er in een ander geval geen waarborg geaccepteerd kan worden. De woorden die volgen later zien dat er om een waarborg gevraagd kan worden wanneer de lener de schuldenaar niet vertrouwt.

41 Uitleg en transcriptie Soerah 2 (Deel40) op do sep 20, 2012 7:55 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
PARAGRAAF 40: Moslims zal de overwinning worden geschonken

284 Lillaahi maa fis-samaa-waatie wa maa fil-‘ard. Wa ‘intubdoe maa fie ‘an-fusikum ‘aw tug-foehu yuhaa-sibkumbihillaah. Fa-yagh-firu limany-yasjaaa-‘u wa yu-‘azziebu many-yasjaaa’: wallaahu ‘alaa kulli sjay-‘in-Qadier.

284 Aan Allāh behoort wat in de hemelen is en wat er op aarde is. En of jullie nu naar buiten brengen wat in jullie gedachten is, of het verbergen, Allāh zal jullie in overeenstemming hiermee ter verantwoording roepen. Dus vergeeft Hij wie het Hem behaagt en straft Hij wie het Hem behaagt. En Allāh is de Bezitter van macht over alle dingen.(a)

285 ‘Aa-manar-Rasoelu bimaaa ‘un-zila ‘ilay-hi mir-Rabbihie wal-Mu’-minoen. Kullun ‘aa-mana billaa- hi wa malaaa-‘ikati-hie wa kutubihie wa rusulih. Laa nufarriqu bay-na ‘ahadim-mir-rusulih. Wa qaaloe sami’ -naa wa ‘ata’-naa : Ghufraanaka Rabbanaa wa ‘ilaykal-masier.

285 De boodschapper gelooft in wat aan hem is geopenbaard door zijn Heer, en (zo ook) de gelovigen. Zij geloven allen in Allāh en Zijn engelen en Zijn Boeken en Zijn boodschappers. Wij maken geen onderscheid tussen wie ook van Zijn boodschappers.(a) En zij zeggen: Wij horen en gehoorzamen; onze Heer, Uw vergeving (is waar wij naar smachten), en naar U leidt het uiteindelijke doel.

286 Laa yukalli-flulaahu naf-san ‘illaa wus-‘ahaa. Lahaa maa kasabat wa ‘alay-haa mak-tasabat. Rabbanaa laa tu-‘aa-giznaaaa ‘in-nasienaaa aw ‘agta-naa. Rabbanaa wa laa tahmil ‘alaynaaa ‘is-ran-kamaa hamal-tahoe ‘alal-laziena min-gab-linaa. Rabbanaa wa laa tuhammilnaa maa laa taaqata lanaa bih. Wa-fu ‘annaa, wagh-fir lanaa, war-ham-naa. ‘Anta Mawlaanaa fan-surnaa ‘alal-qaw-mil-Kaafi-rien.

286 Allāh legt geen ziel een taak op die haar reikwijdte te boven gaat. Voor haar is hetgeen zij verdient (aan goed) en tegen haar is hetgeen zij teweegbrengt (aan kwaad). Onze Heer, straf ons niet wanneer wij (iets) vergeten of een fout maken. Onze Heer, leg ons geen last op zoals U (die) degenen vóór ons oplegde. Onze Heer, leg ons geen (kwellingen) op waarvoor wij de kracht niet hebben ze te dragen. En vergeef ons! En schenk ons bescherming! En heb genade met ons! U bent onze Beschermheer, dus schenk ons de overwinning op de ongelovige mensen.(a)

-------------------------------------------------------

DE UITLEG:

284a. Dit vers wordt in het algemeen verkeerd begrepen. Het betekent niet "Allāh zal jullie hierover ter verantwoording roepen", maar "Allāh zal jullie in overeenstemming hiermee ter verantwoording roepen". Met andere woorden, hij die zijn kwade bedoelingen verbergt (d.w.z. onder controle houdt) en hij die ze manifesteert (d.w.z. ze ventileert), zullen niet niet op dezelfde manier worden behandeld, maar in overeenstemming met hun verdiensten. Bijna dezelfde verklaring vinden we in v. 3:29, waar gezegd wordt: "Zeg: of jullie nu verbergen wat zich in jullie harten afspeelt, of het naar buiten brengen, Allāh weet het." Slechte gedachten zijn wel strafbaar, maar kwade neigingen die een mens onderdrukt houdt, en die daarom geleidelijk verdwijnen, kunnen niet worden opgenomen in de categorie slechte gedachten. Deze zijn het, die hier bedoeld worden.

285a. De ruimdenkendheid van het moslimgeloof, die op dieverse plaatsen in dit hoofdstuk behandeld is, wordt opnieuw genoemd in verband met de overwinning van de moeslims. Zelfs wanneer de moeslims zouden overwinnen, dan nog kon hun religie niet over andere religies triomferen, tenzij zij op zeer brede grondbeginselen gevestigd zou zijn die allen zouden aanspreken. De overwinning van de moeslimreligie zou, zoals hier wordt gesuggereerd, niet te danken zijn aan politieke overmacht maar aan de uitmuntendheid en ruimdenkendheid van haar beginselen. Vandaar dat de Islām zelfs in deze dagen van politieke achteruitgang nog geestelijke overwinningen behaalt. Dit is zonder twijfel te danken aan de ruimdenkendheid van zijn grondbeginselen.

286a. Een aantal van de woorden waarmee deze gebeden tot uitdrukking worden gebracht, moeten worden uitgelegd. Isr betekent een last duie iemand hindert bij het bewegen, en dus de last van zonde, omdat zonde de geestelijke vooruitgang van de mens belemmert en hem weerhoudt van geestelijke groei. Oe‘foe komt van ‘afw, wat uitwissing of vernietiging betekent (R) en duidt over het algemeen op de uitwissing of kwijtschelding van zonden. Iggfir komt van ghafr, wat bedekken met dat wat beschermt tegen vuil betekent (R). zoals Barmāwi uitlegt in Qastalāni (commentaar van Boechāri), wordt in religieuze terminologie het woord ghafr gebruikt in de betekenis van bescherming. Deze bescherming komt, zoals hij zegt, in twee soorten, namelijk: de mens beschermen tegen het begaan van een zonde of de mens beschermen tegen de straf voor de zonde die hij heeft begaan. Dit is in overeenstemming met wat gezegd wordt in de Nihājah, waar de Goddelijke eigenschappen Ghāfir en Ghafoer uitgelegd worden als Iemand Die de mensen beschermt tegen het begaan van zonden en fouten en Iemand Die hun zonden en fouten door de vingers ziet – Al-Sātiroe li-dzoenoebi ‘ibādi-hi wa ‘oejoebi-him al-moe-tadjāwizoe ‘an chatājā-hoem wa dzoenoebi-him.

Er kan hier worden opgemerkt dat er, als voorloper op het gebed voor overwinning op de ongelovigen, een set van drie verzoeken is in het eerste deel van het vers en nog een set van drie verzoeken in het tweede deel. De eerste drie verzoeken die aan Allāh worden gedaan zijn straf ons niet, leg ons niet de last van zonden op, leg ons geen kwellingen op die we niet bij machte zijn te dragen. Overeenkomstig met deze drie verzoeken zijn respectievelijk de drie verzoeken in het tweede deel, vegeef os, schenk ons bescherming, heb genade met ons. Dus overeenkomstig met het verlangen gered te worden van straf, is het verzoek of Allāh Zijn dienaar wil vergeven voor al de fouten die hij heeft gemaakt. Overeenkomstig het verlangen dat men niet door zonden verteerd zal worden, is het verzoek of men bescherming kan krijgen tegen het begaan van zonden, en overeenkomstig het verlangen gered te worden van kwellingen waarvoor men niet de kracht heeft ze te dragen, is het verzoek om genade van Allāh.

Het is verder noodzakelijk te onthouden dat de twee woorden ‘awf en ghafr en hun afleidingen, en de twee overeenkomstige Goddelijke eigenschappen ‘Oefoeww en Ghafoer, zeer vaak voorkomen in de Heilige Qoer-ān. Ze worden meestal opgevat als gratieverlening en vergeving, maar er is in werkelijkheid een subtiel onderscheid tussen de betekenis van de twee, zoals hierboven is uitgelegd. Wanneer de twee woorden zoals hier tezamen worden gebruikt, dan impliceert ‘afw altijd het vergeven van zonden zodat men gered kan worden van de straf die het begaan van zonden met zich mee brengt, en ghafr beduidt dan bescherming tegen het begaan van zonde. Istighfār is dus in werkelijkheid een gebed voor zondeloosheid.

Dit, het afsluitende gebed van dit hoofdstuk, krijgt bijzonder gewicht toegekend in de uitspraken van de Profeet (s.a.w.). Volgens een Hadies, "wie er bidt zoals het hem geleerd wordt in de laatste twee verzen van Baqarah, dan is dat voldoende voor hem" (B. 64:12).

Het is opmerkelijk dat terwijl de moeslims geleerd wordt te bidden voor overwinning op de ongelovigen, zij op hetzelfde moment leren om nederig te zijn en vergevensgezind. Wat een geest van nederigheid ademt het Heilige Woord zelfs in het uur van triomf uit! De ambitie van de ziel om geleid te worden tot de beloofde zege is nog steeds ondergeschikt aan de nobelere verlangens van de ziel.

Het einde van het hoofdstuk toont aan dat de zege van de Islām het ware onderwerp ervan is, en dit wordt duidelijk uiteengezet in de openings- en slotparagrafen van het hoofdstuk.

42 Re: Soerah Al Baqarah 2 (De Koe). op do sep 20, 2012 7:56 am

Laila

avatar
United Community Elite
United Community Elite
Soerah al Baqarah is geopenbaard in Medinah.

Gesponsorde inhoud


Vorige onderwerp Volgende onderwerp Terug naar boven  Bericht [Pagina 2 van 2]

Ga naar pagina : Vorige  1, 2

Permissies van dit forum:
Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum